Wetenschap - 5 september 2002

Het Debat: Onderzoekstarieven voor ontwikkelingssamenwerking

Het Debat ? Onderzoekstarieven voor ontwikkelingssamenwerking

'Special price, only for you my friend'

Moeten Wageningse onderzoekers aan arme ontwikkelingslanden dezelfde rekening sturen als aan rijke westerse klanten? Of moeten de tarieven voor ontwikkelingssamenwerking lager zijn? De wereldvoedselorganisatie FAO, gericht op ontwikkeling in arme landen, betaalt bijvoorbeeld maar 300 dollar per dag, en daarvoor kan een Wageningen UR onderzoeker het niet doen. Moet er een apart fonds komen voor aanvulling, zoals rector Speelman ooit al eens opperde? Of is het niet erg als Wageningen UR de markt van de ontwikkelingssamenwerking verliest? Straatventers in ontwikkelingslanden zelf zouden het in ieder geval zo verkopen: "Special price, only for you my friend".

Dr Herman van Eck, onderzoeker bij het laboratorium voor plantenveredeling van Wageningen Universiteit, vindt dat idealisme best een rol mag spelen in het werk van Wageningen UR: "Iets doen voor mensen in arme landen is, ook al kan ik maar een heel klein beetje doen, wel voor een deel een rechtvaardiging van mijn werk. Wat heb je er aan om bibliotheken te vullen? Ik denk dat we een morele verplichting hebben iets aan ontwikkelingssamenwerking te doen. Wageningen UR kan dat doen door lagere tarieven te rekenen bij klanten die minder kunnen betalen. En ik denk niet dat je daarmee werk van deskundigen in ontwikkelingslanden zelf ontneemt. Ik werk in een erg technisch vakgebied. De enzymen die wij gebruiken hebben ze daar niet."

Zakelijker denkt drs Pieter Windmeijer, van het Noord-Zuid Centrum van Wageningen UR, over de kwestie. "Met de tarieven die we nu moeten rekenen prijzen we ons uit de markt. De wereldvoedselorganisatie FAO kan ons niet betalen. Daardoor missen we contracten. Bovendien gaan de internationale studenten steeds meer meetellen in Wageningen. Als Wageningen UR geen onderzoek meer doet in de tropen of rondom ontwikkelingssamenwerking, is er straks ook geen expertise meer op dat gebied en kunnen we geen internationale studenten meer trekken. Het is daarom tijd dat het tariefsysteem flexibeler en creatiever wordt, waardoor voor Nederlandse klanten wat meer gerekend kan worden en voor die in ontwikkelingssamenwerking wat minder."

Ook ir Anton van Weelderen, oud directeur van het International Institute for Land Reclamation and Improvement (ILRI) en beleidsmedewerker bij het bestuurscentrum, vindt dat de goede naam van Wageningen UR hoog gehouden moet worden met speciale tarieven. Blijft de vraag welk werk dan in aanmerking komt voor een lager tarief, want dat kan oneerlijke concurrentie met andere partijen opleveren. "Het gaat om onderzoek, onderwijs en kennisoverdracht die niet door het bedrijfsleven gedaan wordt. Gaat het om werk dat in principe ook door bedrijven gedaan kan worden, dan moet het volle tarief gerekend worden."

Wat ir Henk Ritzema, onderzoeker bij het ILRI, vooral steekt is dat ILRI, veel bezig met ontwikkelingssamenwerking, lagere tarieven kon rekenen voor de fusie dan na de fusie met Alterra. Reden zijn de hogere kosten na de fusie voor overhead, denkt Ritzema. "Ik vind het niet juist dat deze hogere kosten klakkeloos worden doorberekend aan de klanten in ontwikkelingslanden. Het is beter uit te zoeken welke overhead we eerst niet nodig hadden en nu opeens wel. Waarom moeten onze tarieven omhoog en kunnen de tarieven, en dus de kosten, bij de andere afdelingen niet omlaag? Kortom, maak duidelijk waar de overhead van het WUR-concern aan wordt besteed en geef de afdelingen meer vrijheid deze diensten in te kopen."

Ritzema vraagt ook van de directie van de kenniseenheid het thema aan te kaarten bij de raad van bestuur. "Ik wil een apart tarief voor werk in de ontwikkelingssamenwerking, analoog aan de aparte tarieven voor LNV en EU. Nederland accepteert ontwikkelingssamenwerking als een maatschappelijke verantwoordelijkheid en besteedt 0,8 procent van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking. Wageningen UR zou in deze ook haar verantwoordelijkheid kunnen nemen en hiervoor bijvoorbeeld 0,8 procent van de omzet opzij zetten."

Drs Wallie Hoogendoorn, directeur management van de kenniseenheid Groene Ruimte, zegt dat een speciaal tarief overwogen wordt. "We denken erover, maar hebben nog geen standpunt. Het geld moet ook ergens vandaan komen. En de derde wereld concurreert hier met andere goede doelen. Ook in Nederland zijn er organisaties die niet kapitaalkrachtig zijn. De Waddenvereniging met de zeehondjes wordt dan altijd genoemd.

Iets anders is het natuurlijk als er geld nodig is om een nieuwe markt te verkennen. Er zijn bij DLO strategische middelen om ontwikkelingskosten te betalen. Maar dan verander je niet het tarief, maar wel het aantal uren dat je voor een opdracht vraagt. De rest komt dan uit de strategische middelen. Nog los daarvan zijn er in het zuiden ook best klanten die wel voldoende kunnen betalen. Overigens volgt de kenniseenheid Groene Ruimte hierin de raad van bestuur van Wageningen UR."

Prof. Louise Fresco, Assistent Directeur-Generaal van de wereldvoedselorganisatie FAO en ereprofessor in Wageningen, laat per mail weten: "Helaas kan ik hier geen commentaar op geven, maar het is zeker een interessante kwestie. Misschien moet u maar eens kijken naar hoe dit in andere landen gebeurt, bijvoorbeeld in Frankrijk en Zweden."

Ir Kees van Ast, lid van de raad van bestuur van Wageningen UR: "Wageningen UR is verzelfstandigd, in instellingen in andere landen betaalt de overheid nog alles. Dat betekent dat wij de eigen kost moeten verdienen en daardoor zijn onze tarieven relatief hoger. Dat komt dus niet omdat wij meer kosten zouden hebben. Ik denk niet dat de tarieven als zodanig lager kunnen, want dan zouden we onder de kostprijs moeten werken. Bovendien zou dat oneigenlijke concurrentie met anderen zijn. Wel denk ik dat het goed is als er nog een discussie komt over de sturing in de ontwikkelingssamenwerking, maar die ligt buiten ons bereik. Nu geldt het beleid van vraaggestuurde ontwikkelingssamenwerking. De rijksoverheid geeft geld aan partijen in ontwikkelingslanden en die bepalen waar ze het besteden. Je zou een klein deel daarvan apart kunnen houden als co-financiering voor instellingen als Wageningen UR, die daarmee de markt doelmatiger kunnen benaderen. Het zou kunnen dat dat uiteindelijk een doelmatiger samenwerking is."

Joris Tielens

Re:ageer