Student - 11 januari 2007

Heftige tijd in Indonesië

Meri Orth, vierdejaars Tropische bosbouw op Van Hall Larenstein in Velp, liep stage in Indonesië, het geboorteland van haar grootouders. Op Sumatra en Borneo ging ze van dorp tot dorp om te ontdekken wat de aanleg van grootschalige oliepalmplantages betekent voor de lokale bevolking.

257_nieuws.jpg
‘Miljoenen hectares landbouwgronden en regenwoud zijn veranderd in oliepalmplantages. In sommige gebieden kun je uren rijden en zie je alleen maar oliepalm. Bedrijven uit de grote steden of multinationals uit China en Maleisië gaan het platteland op om mensen over te halen hun land te verkopen. Ze doen veel beloftes: geld, werk op de plantages, goede wegen of scholen voor de kinderen. Maar er komt vaak weinig van terecht. De organisatie Sawit Watch helpt mensen bij de keuze om hun land wel of niet af te staan. En zo nodig helpen ze hen om zich te verzetten, of juist een goede deal te sluiten.
Ik heb voor die organisatie onderzocht wat de impact is van de oliepalmplantages op de lokale bevolking in Tapanuli Selatan, een district in Noord-Sumatra. Ik ging daarvoor een heleboel dorpen langs om mensen te interviewen. De dorpen waren soms heel erg afgelegen en alleen te voet bereikbaar. Ik bleef slapen bij families. Dan sliep je met het hele gezin op rieten matjes op de grond van hun houten huis op palen. Soms waste ik me bij een waterput, maar meestal in de rivier. Dezelfde rivier waar het drinkwater vandaan kwam en waar ik mijn behoefte moest doen. Vaak ging er iemand met me mee. Zit je daar met z’n tweeën op een stammetje boven het water.
Verder vond ik mijn stagetijd soms wel heftig. De armoede, het gebrek aan scholen en communicatie en dat mensen niet naar de dokter kunnen omdat hun dorp zo afgelegen ligt. Intenser was nog dat de dorpelingen ondanks de armoede zo vriendelijk en tevreden zijn. Ik voelde me erg thuis. In Kalimantan ben ik een keer ontvangen door een optocht van een inheemse Dayak-stam. Ik deed aan allerlei rituelen mee, vooral het drinken van de lokale rijstewijn, zodat ik een lid van hun stam werd.
In Nederland had ik al een paar woorden Indonesisch geleerd. Door veel te praten lukt dat nu vloeiend. Ze vonden het natuurlijk hartstikke mooi dat een westerling Indonesisch sprak. De Indonesiërs wilden graag hun verhaal vertellen. Er zijn door de plantages veel problemen met verdroging en vervuiling van de rivier waardoor landbouw nu moeilijker is. Enkelen zijn er beter op geworden, maar er is lang niet genoeg werk op de plantages. Veel mensen vroegen me of ik Nederland en de rest van de wereld wil vertellen wat er daar gebeurt, dus dat doe ik ook.’

Re:ageer