Organisatie - 21 juni 2007

Groene hbo’ers praten niet genoeg

Communicatie is hot. Ook binnen natuur- en terreinbeheer. De groene professional van vandaag redt het niet meer met soortenkennis alleen, maar moet signalen oppikken uit de samenleving en belangengroepen bij planvorming betrekken. Hogeschool Van Hall Larenstein (VHL) houdt daar nog onvoldoende rekening mee, menen werkgevers uit de groene sector.

56_achtergrond0.jpg
‘Het is echt een gemis in de opleiding’, zegt Wim van Veldhuizen, vestigingsmanager van bemiddelingsburau Agrojobs, over de communicatieve vaardigheden van VHL-afgestudeerden. ‘De gemiddelde student is op de inhoud gericht. Het zijn plannenmakers. Maar degenen die zorgen dat de plannen erdoor komen, zijn dienstverlenend ingesteld en kunnen ook een communicatieplan maken. De opleidingen bij Van Hall Larenstein lopen op dat punt achter’, vindt Van Veldhuizen. ‘Sommige studenten richten zich in hun stage op communicatie. De enkeling die dat doet, ligt heel goed in de markt. Voor het traditionele boswachterswerk zijn er vele kandidaten.’
De kritiek van Van Veldhuizen wordt breed gedeeld in het werkveld. Werkgevers zoeken beheerders die kunnen samenwerken met boeren, waterschappen en gemeentes. En die om kunnen gaan met recreanten die mee willen praten. Bij dunningen bijvoorbeeld, wanneer bomen letterlijk aangekruist worden voor de kap, vragen wandelaars vaak om uitleg. In vacatures wordt daarom steeds vaker om goede sociale vaardigheden, ‘omgevingssensitiviteit’ en teamgeest gevraagd. En soms zelfs om ervaring in het uitstippelen van ‘interactieve planvormingtrajecten’.

Marketing
‘Of Larensteiners voldoen aan deze functie-eisen? Dat is heel wisselend’, zegt Janny Bos. Zij is adviseur personeel en organisatie bij Vereniging Natuurmonumenten. ‘Het is altijd sterk afhankelijk van de kwaliteiten in een persoon. En natuurlijk, voor een deel is het training on the job. Maar wij vinden dat basiskennis van communicatie en marketing een vast onderdeel van de opleiding moet zijn. Zeker voor hbo’ers is dat belangrijk, omdat zij steeds meer worden ingezet op dit soort taken. Ze hoeven geen communicatiespecialist te worden, maar ze moeten wel weten wanneer ze die in moeten schakelen.’
Theo Meeuwissen, hoofd Bureau Ontwikkeling en Beheer van Oost-Nederland bij Staatsbosbeheer, beaamt dat. ‘Zelfs als Larensteiners zich zuiver inhoudelijk ontwikkelen en in een stafafdeling terecht komen, moeten ze hun vakdeskundigheid kunnen uitleggen en mensen kunnen overtuigen. Je kunt met een enorme vakinhoudelijke bevlogenheid een geweldig rapport schrijven, maar als je mensen niet meekrijgt met wat je wilt, verdwijnt het rapport in de kast.’
Om bij Staatsbosbeheer door te kunnen groeien naar hogere functies moeten mensen zeker communicatief sterk zijn, zegt Meeuwissen. ‘Studenten moeten daarom in een vroeg stadium van de opleiding bewust worden gemaakt van hun kwaliteiten en valkuilen op het gebied van communicatie, en van hun natuurlijke rol in een team, zoals voortrekker of ondersteuner. En minstens zo belangrijk is het dat leerkrachten zelf meelopen in het werkveld en de manier ervaren waarop er tegenwoordig gecommuniceerd moet worden.’
De eisen van de werkgevers hebben alles te maken met de tijdgeest. Zowel Meeuwissen als Bos zeggen dat hun organisaties zo’n vijftien jaar geleden naar binnen gekeerd waren, terwijl de blik nu naar buiten gericht is. ‘Er spelen allerlei dynamische gebiedsprocessen en de complexiteit is groter. Dat stelt hogere eisen aan de communicatie. We moeten kritische vragen beantwoorden. Waarom dieren in de Oostvaardersplassen een natuurlijke dood mogen sterven, bijvoorbeeld. Voor alles is er tegenwoordig een belangengroep. Mensen hebben de natuur in hun hart gesloten. Dat is de enige en beste garantie voor een draagvlak’, vertelt Meeuwissen.

Kritische maatschappij
‘We moeten kunnen uitleggen waar we mee bezig zijn. Wat we doen en waarom’, zegt ook George Borgman. Als directeur van particulier bosbouwadviesbureau Borgman Beheer heeft hij oud-studenten van VHL in dienst, en komt hij ze vaak tegen bij boseigenaren, Staatsbosbeheer en gemeentes. ‘We leven in een kritische maatschappij. Er zijn 16,5 miljoen Nederlanders en net zoveel meningen over natuur. Eigenlijk is het net zoiets als voetbal. Er is alleen geen vaste natuurpagina in de krant. Alle meningsvorming gebeurt live. Het moet een tweede natuur zijn van mensen die in de openbare ruimte opereren om dingen uit te leggen.’
In het onderwijs is dit besef langzaam aan het doordringen. ‘Maar voldoende is het nog niet’, vindt Daan van der Linde, docent Plattelandsontwikkeling en Ruimtelijke planvorming bij VHL in Velp. ‘Heel lang maakten we op school technisch perfecte plannen voor groepen mensen zonder te vragen wat ze zelf wilden. En dan waren we verbaasd als ze bij de presentatie niet blij bleken te zijn met onze plannen’, herinnert hij zich. ‘Nu wordt er in de opleiding wel wat verteld over communicatie en planvorming, maar dat is puur informatief. Studenten die er meer over willen leren, moeten de minor Ontwikkelingsplanologie kiezen.’
Opleidingsdirecteur Bos- en natuurbeheer Hans van Rooijen vertelt dat de hogeschool twee jaar geleden een aantal kerncompetenties heeft opgesteld binnen de opleidingen, waaronder communicatie. Het eerste jaar competentiegericht onderwijs is inmiddels achter de rug. Van Rooijen: ‘We zijn nog wel aan het zoeken.’
Maar aan dat zoeken moet binnenkort een einde komen. Docent Van der Linde is vanuit VHL betrokken bij een Europees project genaamd EnTraCoP, oftewel ‘Enhancing the Teaching of Collaborative Planning in Natural Resource Management’. Dat betekent zoiets als de bevordering van het onderwijs in interactieve planvorming voor management van natuurlijke hulpbronnen. Gesubsidieerd door de Europese Unie werken organisaties uit Nederland, Finland, Duitsland, Ierland, Tsjechië en Slowakije samen aan het programma.
De eerder geschetste ontwikkelingen in het natuurbeheer beperken zich namelijk niet tot de Nederlandse bodem. Alleen de invalshoeken zijn anders. In Oost-Europese landen willen de organisaties vooral de democratie bevorderen. Door het communistische verleden is het publiek daar helemaal niet gewend om mee te praten. ‘Finland daarentegen is wat inspraak betreft bijna doorgeslagen’, aldus Van der Linde. ‘En er spelen daar natuurlijk heel andere dingen, zoals elanden die ongelukken veroorzaken of beren die joggers opeten.’
Uit ieder land doet naast een onderwijsinstelling ook een organisatie uit het werkveld mee aan het project. Van der Linde: ‘Je kunt pas iets voor de professionele wereld betekenen als je die erbij betrekt.’ De professionele partner uit Nederland is Buiting Bosontwikkeling, een bedrijf dat nauwe banden heeft met Van Hall Larenstein.

Kant-en-klaar
EnTraCoP loop nu twee jaar, en heeft inmiddels de toolkit ‘CoPack’ opgeleverd, een kant-en-klaar lesprogramma op internet. Daarin zitten onder andere communicatieplannen, evaluatieformulieren en uitleg over PowerPoint, GIS-kaarten, en presentaties. Het materiaal wordt in verschillende talen aangeboden en is gratis toegankelijk. Trainers en docenten kunnen van de website afplukken wat ze nodig hebben. ‘Er zijn veel boeken over interactieve planvorming en conflictmanagement, maar dat is allemaal theorie. Dit onderwijsmateriaal is gericht op het verbeteren van vaardigheden in de praktijk’, benadrukt Van der Linde.
Op 14 juni vond een minisymposium plaats waarbij bezoekers de eerste versie van de toolkit konden uittesten. Van der Linde meldt dat er kritische opmerkingen waren over de huidige vorm, waar nog aan gewerkt wordt. Het publiek zag wel een goede onderwijskundige aanvulling in CoPack. Van Rooijen is eveneens enthousiast. ‘Het project heeft een aantal formats opgeleverd dat we bij het competentiegerichte onderwijs goed kunnen gebruiken.’
De eerste studenten die dit competentiegerichte onderwijs hebben genoten, komen echter pas over drie jaar op de arbeidsmarkt. De komende paar jaren moeten werkgevers het nog doen met afgestudeerden van VHL die vooral veel vakinhoudelijke kennis hebben.
Werkgever Borgman: ‘Het komt nu vooral neer op learning by doing. En dan verwacht je van een Larensteiner niet meteen dat hij of zij als gebiedsregisseur een heel participatieproces kan draaien. Op z’n best kunnen pasafgestudeerden daar nu bij assisteren. Straks komen er gelukkig mensen die zich tijdens de opleiding al hebben kunnen specialiseren in participatieprocessen. Want de functie van gebiedsonderhandelaar wordt in de toekomst heel belangrijk.’

Re:ageer