Organisatie - 21 september 2006

Groene energie vraagt woeste plannen

We nemen groene energie serieus. We plaatsen toch windmolens en verbouwen akkers vol koolzaad, bestemd voor biodiesel? Maar op de Wereldlezing die alumnivereniging KLV vrijdag 15 september organiseerde in Hotel De Wereld, werd pijnlijk duidelijk dat we onszelf een rad voor ogen draaien.

Op het scherm projecteert prof. Cees Buisman, hoogleraar Biologische Kringlooptechnologie, twee dia’s. Ze tonen de kap van de Noordpool in de jaren zeventig en negentig. De kappen smelten doordat het klimaat verandert, zegt Buisman. Bovendien raken de voorraden fossiele brandstof op. ‘Maar zijn hernieuwbare biologische brandstoffen de oplossing?’, vraagt Buisman retorisch. ‘Daar valt wel iets op af te dingen.’
Schoon zijn biologische brandstoffen allerminst, aldus de hoogleraar. Bij de verbranding van hout of olie komen meer giftige stoffen vrij dan bij verbranding van diesel of lpg. ‘Wat iedereen bovendien vergeet is dat bio-energiebronnen kunstmest nodig hebben. Ook de grondstoffen voor kunstmest raken op. Volgens de prognoses zijn over zeventig jaar de fosfaten bijvoorbeeld uitgeput.’ De vooruitzichten van de geijkte hernieuwbare biologische brandstoffen zijn dan ook allesbehalve gunstig, stelt Buisman.
Zijn opponent Christoph Tönjes, energiespecialist van Clingendael, is het met hem eens dat de potentie van de huidige biologische energiebronnen beperkt is. ‘Als we alle diesel die we verstoken willen vervangen door bio-diesel uit koolzaad, dan zouden we aan het volledige landbouwareaal van Nederland nog niet genoeg hebben. We kunnen ongetwijfeld een deel van onze energiebehoefte dekken door in andere landen te gaan produceren, maar ook daar zullen we tegen grenzen aanlopen. We hebben land ook nodig om voedsel te produceren.’
‘Volgens de berekeningen van de oliemaatschappijen zijn de voorraden over dertig jaar uitgeput’, vervolgt Tönjes. ‘Maar dat zeiden de prognoses van dertig jaar geleden ook al. De maatschappijen vinden altijd weer nieuwe velden, of ontwikkelen efficiëntere technologieën waarmee ze uitgeputte velden weer rendabel kunnen maken.’
Toch vindt ook hij dat we alternatieve energiebronnen nodig hebben, al was het maar omdat fossiele brandstoffen ons leefmilieu verruïneren, of omdat het Westen is aangewezen op instabiele regimes om te voorzien in zijn vraag naar olie. ‘Maar besparingen zouden op de eerste plaats moeten staan. Biobrandstoffen komen op de tweede plaats.’
Buisman is optimistischer over biobrandstoffen. Op zijn groep werken straks zes aio’s aan een groene technologie waarbij bacteriën uit natuurlijke grondstoffen elektriciteit opwekken en waterstof produceren. Het proces is bovendien schoon en efficiënt. Wageningers hebben de bacterie gevonden in rioolslib. ‘Dit gaat werken’, zegt Buisman. ‘Dit werkt nu al in het laboratorium, en in 2007 of 2008 komen we op het punt dat het commercieel aantrekkelijk wordt.’
Een mogelijke toepassing van Buismans elektrobacteriële technologie is een proces waarin de sliborganismen energie opwekken uit de sapstromen van bomen. ‘In theorie zou een boom voldoende energie op kunnen wekken voor een huishouden. Die boom zou daar geen hinder van hoeven te ondervinden, al zal hij langzamer gaan groeien.’ Op Buismans groep is één aio aan het onderzoek bezig, in samenwerking met Wageningse plantenonderzoekers.
Bomen met een stopcontact als oplossing voor het energievraagstuk. Het is een gedurfd idee. Maar of het iets gaat worden? ‘Het is verdraaid moeilijk om hier geld voor te krijgen’, aldus Buisman.
Fondsenspecialist en Brusselwatcher Willem Wolters, verbonden aan Wageningen International, kan zich daar iets bij voorstellen. ‘Als ik kijk wat de Europese Unie in de kaderprogramma’s vrijmaakt voor wetenschappelijk onderzoek, dan zie ik daar weinig in terug dat past in de lijn van Buisman. Ik zie wel dat er geld beschikbaar is voor de lijn die Tönjes uitstippelt.’
Met het Nederlandse en het Europese energiebeleid is iets merkwaardigs aan de hand, constateren de aanwezigen. Wat de biobrandstoffen betreft biedt de ingeslagen weg weinig perspectief. Maar de interesse voor andere strategieën met meer potentie is gering. ‘Windmolens dekken één tot twee procent van onze energiebehoefte’, geeft Buisman als voorbeeld. ‘Dat is weinig, maar toch heeft de overheid behoorlijk geïnvesteerd in windenergie. Daar staat tegenover dat zes procent van de energie die kolencentrales genereren niet wordt gebruikt. De centrales draaien midden in de nacht, als er nauwelijks vraag is naar energie, omdat ze anders de vraag naar stroom in de ochtend niet kunnen opvangen.’
Een systeem dat die voor niets geproduceerde elektriciteit zou kunnen opslaan zou meer gewicht in de schaal leggen dan al die dure windenergie. Toch heeft de overheid wel subsidies gestoken in windenergie, maar niet in een dergelijk systeem.
‘Misschien ligt het aan de risicomijdende Europese cultuur’, zegt prof. Wim Hulsink, de gespreksleider van de avond. Hulsink, die in 2003 werd benoemd tot hoogleraar Innovatief ondernemerschap, vreest dat plannen ‘met een hoog science-fiction-gehalte’ in het behoudende Europa niet aan bod komen. ‘In de Verenigde Staten durven venture capitalists veel meer. Daar zou het minder moeilijk zijn om enkele miljoenen los te krijgen voor zo’n wild plan als dat van Buisman. En toch zullen we het op de lange termijn van dat soort woeste initiatieven moeten hebben’, aldus Hulsink.

Re:ageer