Wetenschap - 1 januari 1970

Goedgeklede nieuwe student kijkt neer op losers

Nog nooit waren de studenten aan onze universiteiten zo rijk als nu, schreef Willem Frederik Hermans in de jaren zeventig. ,,Maar ze lopen in kleren waarvoor een clochard die slaapt onder de bruggen van Parijs zich zou schamen.’’ Dat type student is uitgestorven, zegt prof. Kees de Hoog. ,,Kijk maar’’, zegt hij, knikkend met zijn hoofd naar de introductielopers die rondslenteren op De Markt. ,,Voor deze studenten is het uiterlijk belangrijk. Dat zie je aan alles.’’

Sinds de jaren zeventig doceert Kees de Hoog in Wageningen. Hij heeft generaties studenten zien komen en gaan. De komst van een nieuwe lichting studenten in Wageningen is voor Wb aanleiding om met de hoogleraar, mediapersoonlijkheid en columnist te praten over de goedgekapte, welbespraakte en frisse studenten van nu, geobsedeerd door de juiste kleding en de juiste mobieltjes. En uiteraard ook over de slonzige studenten van vroeger. Kees de Hoog mist ze.
Een beetje. Want al lieten ze de collegezalen stinken naar Afghaanse jassen, ze waren ook kritisch. Ze legden de hoogleraar het vuur aan de schenen met hun vraag of zijn onderzoek wel bijdroeg aan een rechtvaardiger samenleving. ,,Die discussie vind je niet meer. Als ik op mijn colleges zou beweren dat vrouwen niet moeten gaan werken, maar in het gezin moeten blijven, en dat dat veel beter voor ze zou zijn, dan zouden mijn studenten me niet terechtwijzen. Pas na een kwartier zou ik misschien een vraag krijgen of ik het allemaal wel meende. Ze zijn erg volgzaam geworden.’’

Woongroepen
Het afscheid van de jaren zeventig heeft natuurlijk ook zijn goede kanten. Weg zijn de woongroepen, waar de gedreven studenten van weleer zo graag onderzoek naar wilden doen, maar waar ze net zo vaak gedesillusioneerd van terugkeerden. En gelukkig zijn ook de vrienden van de communistische dictaturen verdwenen. De studenten die terugkwamen met een scriptie over hoeveel natuur je op het Oost-Duitse platteland nog had. Die vol lof waren over die ‘verschrikkelijk makkelijke’ winkels, waar je maar kon kiezen uit een paar producten en nooit hoefde na te denken.
Ergens in de jaren tachtig kwam de omslag. ,,Ik kan niet goed verklaren waarom’’, zegt De Hoog. ,,Je hoort veel sociologen praten over een reactie op de voorgaande intellectuele generatie van maatschappijverbeteraars, maar dat vind ik een onbevredigende verklaring.’’
De ouders van de huidige generatie studenten, theoretiseert De Hoog, hebben een aanzienlijke carrière gemaakt. Hun grootste verlangen is dat hun kinderen net zo’n maatschappelijke stijging maken als zij, en dat vertaalt zich in een druk op de studenten om te presteren. ,,Vroeger benaderden studenten je als ze een vijf hadden gekregen en daar en zes van wilden maken. Tegenwoordig doen ze dat ook als ze een acht hebben. Dan willen ze een negen.’’
Intellectueel groeien is geen ideaal meer, merkt De Hoog. ,,Dat interesseert ze niet. Wat kan ik ermee worden? Hoeveel kan ik ermee verdienen? Dat zijn de vragen waar ze mee zitten.’’ Ook opkomen voor de zwakkere is er niet meer bij. ,,Het is met z’n allen voor ons eigen en neerkijken op de losers. Dat merk ik op vergaderingen. Dan zegt zo’n arrogant studentje dat hij het vervelend vindt om samen met doorstromers in de collegezaal te zitten, want doorstromers zijn losers. Ik ben toch veel intelligenter dan zo’n hbo’er, zegt hij dan. Omdat die doorstromers erbij zitten moet de docent telkens herhalen wat hij zojuist heeft gezegd en krijg ik een saai college.’’

Niet opvallen
Individualisme is een verkeerde term om de nieuwe generatie studenten mee te beschrijven, vindt De Hoog. ,,Ze hebben ook iets bangigs. Vragen stellen tijdens college durven ze bijvoorbeeld niet. Vraag ik vijf minuten voor het einde van mijn les of iemand nog vragen heeft, dan hoor ik nooit iets. Maar na afloop, als ik naar m’n kamer loop, dan tikt er altijd wel iemand op m’n schouder. Dat is typisch voor deze generatie. Vooral niet willen opvallen.’’
Buiten is het donker. Straks begint de vertoning van de openluchtfilm. Even valt het gesprek stil, als de hoogleraar nadenkt. ,,Je moet natuurlijk wel bedenken waarom deze studenten zo zijn geworden’’, zegt De Hoog. ,,Ze hebben altijd moeten jakkeren, in een harde omgeving waarin alles draait om te presteren. Tijd om diep te na te denken hebben ze nooit gekregen, niet van hun ouders, niet van de regering. Dat zouden ze eigenlijk moeten krijgen. Een half jaar de tijd, waarin ze alleen maar hoeven na te denken. Over wat ze met hun studie willen. Of met hun leven.’’ | W.K.

Re:ageer