Organisatie - 24 januari 2008

Glasblazer met gouden trap

Naast gouden handen had glasblazer Job Jansen van het laboratorium voor Organische chemie een gouden trap. Zijn betekenis op het voetbalveld wordt duidelijk in het boek van WUR-medewerker Rien Bor en historicus Arjan Molenaar over de eerste decennia van WVV Wageningen dat vorige week is gepresenteerd. Jansen bracht twee keer de KNVB-beker naar Wageningen, en liet hem trots zien op zijn werk.

Job Jansen, aanvoerder van WVV Wageningen met de KNVB-beker in 1948.
Linksback is Jansen. Tegenstanders die hem voorbij willen moeten het twee, drie keer proberen. Hij kan goed koppen en passen. Op 18 juni 1939 wint hij met zijn team met 2-1 van PSV de finale van het bekertoernooi. Jansen is dan net 24 en speelt al zes jaar in het eerste elftal van de moederclub van FC Wageningen. Toch bereikt hij nooit het Nederlands elftal. De Tweede Wereldoorlog breekt uit, en er worden er geen internationale wedstrijden meer gespeeld.
Het breekt zijn passie niet. Als na de oorlog van het clubterrein op de Wageningse berg niks meer over is, en er ballen, shirts noch schoenen zijn, gaat Jansen voor de groep staan, en het team ontloopt degradatie. De linksback werkt dan al enkele jaren bij scheikundeprofessor Olivier, waar hij voor de oorlog begon als leerling-bediende. Jansen blijkt handig, en leert het vak van glasblazer als gezel in Leiden bij het Kamerlingh Onnes Laboratorium.
Als in 1948 de KNVB-beker voor de tweede keer naar Wageningen komt, is het feest in de stad. De beker staat een tijdje bij Jansen thuis in de voorkamer en trekt veel bekijks. Ook neemt hij de beker mee naar zijn werk, vertelt vriend en oud-collega A. Schuchhard. In 1943 bood Jansen de nu 85-jarige Schuchhard als onderduiker onderdak. ‘Job zat bij de ondergrondse, en hielp me ook aan administratief werk bij Organische chemie. Hij was toen de enige glasblazer, en heel Wageningen wist dat hij voetbalde.’
‘Als hij in de winter na een training van de Berg af kwam ging hij voor de kolenkachel liggen’, herinnert Teun Jansen zich, zijn oudste zoon die instrumentmaker werd bij Natuur- en weerkunde. ‘Hij was weinig thuis en leefde voor de sport. Maar hij heeft ook altijd gerookt, dat was toen heel normaal. Van die smerige Engelse sigaretten, van Chief Whip.’
In 1953 stopt Jansen met voetbal, en krijgt van de club een boekenkast die jaren in de woonkamer zal hangen – voornamelijk gevuld met de romans van zijn vrouw. Maar het team kan zijn aanvoerder niet missen, en Jansen speelt toch nog twee seizoenen door.
Enkele jaren later leert hij op het lab voor de prof en latere rector Henk van der Plas een Soedanees in anderhalf jaar glasblazen. ‘Jansen had gouden handen, die repareerden en ontwierpen’, vertelt Van der Plas. ‘Ik deed in die tijd wat aan ontwikkelingssamenwerking, en die Soedanees zou waarschijnlijk de eerste glasblazer in zijn land zijn geweest. Maar toen hij terugkwam kreeg hij een hoge administratieve baan. En daarmee is van het plan dat Jansen meer mensen zou gaan opleiden in Soedan nooit meer iets gekomen.’
Jansen kan zo wel blijven voetballen met het labteam in de onderlinge competitie, op de weilanden van Zuivelkunde op Duivendaal. In de jaren zestig wint hij in Nijmegen samen met zoon Teun in het universiteitsteam nog de jaarlijkse onderlinge strijd tussen de universiteiten. Bij WVV is hij dan bestuurder en trainer. In 1977 later sterft hij aan een hersenbloeding, 62 jaar oud. Hij heeft dan een lintje voor veertig dienstjaren.

Re:ageer