Wetenschap - 1 januari 1970

Gesponsord ‘turbo-vogelen’ toont afname karaktervogels en toename

Gesponsord ‘turbo-vogelen’ toont afname karaktervogels en toename

opportunisten

Ook aan de 'Atlas van de Nederlandse broedvogels' is te zien dat de
Nederlandse overheid minder geld wil uittrekken voor de natuur. De eerste
'Atlas van de Nederlandse broedvogels' uit 1979 was eveneens een project
van vogelonderzoeksinstituut Sovon, maar werd volledig gefinancierd door
het rijk. De nieuwe atlas is voor driekwart gefinancierd uit private
fondsen. Dat zijn grappig genoeg niet alleen grote bedrijven of
organisaties, maar ook privé-personen en kleine clubjes. Zo werd de
monitoring van het porseleinhoen gesponsord door Tjitske Lubach, de
visarend door Jan Uilhoorn, de eider door vogelwerkgroep Texel, en de
geoorde fuut door Jan den Exter.
In de 'Atlas van de Nederlandse broedvogels' is Nederland opgedeeld in 1674
kaartblokken van vijf bij vijf kilometer. Daardoor is het in een oogopslag
ook voor leken duidelijk hoe het met bepaalde vogelsoorten in Nederland
gaat. De nieuwe atlas is een vervolg op een megaproject, waarbij tellingen
werden gedaan tussen 1973 en 1977. Nu, zo'n vijfentwintig jaar later, is
het megaproject herhaald tussen 1998 en 2001, en zijn op kaartjes duidelijk
de verschillen af te lezen tussen de jaren zeventig en negentig. Telkens
wordt Nederland-breed de dichtheid van een soort weergegeven in kleurtjes,
de broedzekerheid met kleinere of grotere stippen, en de veranderingen in
voorkomen met rode en blauwe stipjes.
En er is veel veranderd, alhoewel niet altijd uit de kaarten blijkt dat een
vogelsoort onder druk staat. De boerenzwaluw bijvoorbeeld lijkt op het
kaartbeeld redelijk florissant, met hoge dichtheden over heel Nederland,
een goede broedzekerheid, en tegenover 21 locaties waar ze zijn verdwenen
staan 18 waar ze zijn verschenen. Toch staat de soort door de vermindering
van open stallen, strengere hygiënische eisen en meer gebruik van
bestrijdingsmiddelen in stallen onder druk. Bij de nachtegaal is duidelijk
een verandering gaande. De soort lijkt zich te verplaatsen van het oosten
naar het westen van Nederland. Van 366 locaties in het oosten is de vogel
verdwenen, terwijl hij op 191 locaties in het westen verscheen. Het aantal
broedparen is, ondanks de opmars in het westen, wel gedaald sinds eind
jaren zeventig.
De atlas is het gevolg van 'turbo-vogelen', het ,,op de klok af één uur
lang proberen om alle aanwezige vogelsoorten in het gebied op te sporen en
de aantallen te turven van sommige soorten.'' Eerst wordt gedurende 55
minuten geprobeerd om binnen een blok van een bij een kilometer zo grondig
mogelijk te doorkruisen, onderwijl spiedend en luisterend naar vogels.
Daarna werden binnen vijf minuten alle vogelsoorten binnen een straal van
tweehonderd meter rondom het midden van het kilometerblok genoteerd. Dat
werd twee keer per jaar gedaan, in de periode tussen 1 april en 15 mei en
die tussen 16 mei en 30 juni, voor alle atlasblokken van vijf bij vijf
kilometer. 83700 tellingen in totaal, dus.
De 'Atlas van de Nederlandse broedvogels' is echter meer dan een boek als
gevolg van gesponsord turbo-vogelen. Het is een leidraad voor verder
ecologisch onderzoek. De tellingen geven harde cijfers over de afname van
'veeleisende karaktervogels' als de ortolaan en het korhoen, en de komst
van 'opportunistische exoten' als de nijlgans en de Canadese gans. Maar een
vergelijking met de atlas uit 1979 laat ook zien dat een toenmalig
doodgewone broedvogel als de veldleeuwerik, een van de meest succesvolste
vogels uit de oude atlas, allang geen doodgewone broedvogel meer is, en dat
de toen bedreigd geachte blauwborst zich 'spectaculair' heeft weten uit te
breiden.

Nederlandse fauna deel 5: Atlas van de Nederlandse broedvogels -
verspreiding, aantallen verandering, KNNV Uitgeverij, ISBN 9050111610,
62,50 euro.

Re:ageer