Wetenschap - 5 april 2001

Gesleep met dieren houdt vlees goedkoop

Gesleep met dieren houdt vlees goedkoop

Miljoenen dieren verlaten het land en komen er in

Mond- en klauwzeer heeft niets te maken met de intensiteit van de landbouw. Het virus waart tenslotte al honderden jaren rond door de hele wereld. Wel maakt de recente uitbraak iedere leek pijnlijk duidelijk hoe de intensieve veehouderij op dit moment in elkaar steekt. Haast ongemerkt reizen miljoenen dieren van het ene land naar het andere en nog weer verder, of weer terug. Waarom?

Het gesleep met vee is het beste te zien aan de hand van het aantal dieren dat Nederland jaarlijks inkomt en dat Nederland verlaat. De import beslaat 1,4 miljoen stuks volgens cijfers van het LEI uit 1999. De export bedraagt vier miljoen. Overigens zijn deze cijfers niet nauwkeurig. Ze komen tot stand op basis van enqu?tes onder importeurs en exporteurs. Die schrijven niet altijd alles precies op. Een miljoen totaal meer of minder, daar kijkt niemand van op.

Er zit een heel logische structuur achter de transporten, legt ir. Jan Bergsma van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren uit. Neem de runderen: een import van 670.000 stuks en een export van 59.000. Ons land kent al vijftig jaar een bloeiende kalvermesterij. Daarvoor zijn continu nieuwe kalveren nodig. Oorspronkelijk kwamen die kalveren uit de eigen melkveehouderij. Maar het aanbod daalt sinds de invoering van de melkquotering. Het aantal melkkoeien daalt jaarlijks met zo'n twee tot drie procent omdat de melkproductie per koe ieder jaar met datzelfde percentage stijgt. De totale hoeveelheid melk die ons land mag produceren, blijft echter gelijk, zodat er minder kalveren geboren hoeven te worden. Daarom haalt de kalvermesterij kalveren elders vandaan. Duitsland en Belgi? zijn topleveranciers, maar ook de overige EU-landen dienen als bron.

Ondanks het jaarlijkse tekort aan kalveren, verdwijnen er ook kalveren uit Nederland, vooral naar Itali? en Frankrijk. In het voorjaar is er een overschot als er relatief veel kalveren geboren worden. De prijzen zijn dan voor andere landen aantrekkelijk. Bovendien is Itali? een land waar de vleesproductie veel lager is dan de consumptie. Daarom importeert dat land veel dieren om ze zelf af te mesten.

Biggen de grens over

De varkensimport, 622.000 stuks, en -export, 3,4 miljoen, is een heel ander verhaal. Wel zijn het weer vooral de jonge dieren die op transport gaan. De situatie in Nederland is onevenwichtig. Er zijn veel meer bedrijven met zeugen die biggen produceren dan bedrijven die de biggen afmesten tot vleesvarken. Dat heeft onder andere te maken met de mestwetgeving. Een bedrijf met duizend vleesvarkens kost een boer ongeveer even veel werk en levert even veel inkomen op als een bedrijf met honderd zeugen. De mestwetgeving maakte het boeren onmogelijk om hun bedrijf uit te breiden. Wel mochten ze dieren omruilen voor andere dieren, zolang de fosfaatproductie maar niet omhoog ging. Een zeug produceert evenveel fosfaat als 3,5 vleesvarken. Dus wat gebeurde er? Massaal gingen boeren vleesvarkens omruilen voor zeugen. Zo konden zij toch nog uitbreiden qua inkomen. Bovendien wilden Spanje en Itali? graag biggen vetmesten. Itali? kon daar dure Parmaham van maken. Voor Spaanse boeren was het ook makkelijk geld verdienen. Er is minder ervaring en kennis nodig om biggen af te mesten dan om met zeugen biggen te produceren.

Veel slachtvarkens en biggen gaan naar Duitsland. Vanuit Zuidoost-Nederland is de afstand tot een slachterij in het Ruhrgebied klein.

Lamsvlees

Nederlanders eten bijna geen schapenvlees. Dat betekent dat een groot gedeelte van de lammeren naar andere landen gaat; totaal voert Nederland 500.000 schapen en geiten uit. Vooral de export naar Noord-Frankrijk is groot omdat de bewoners daar gewend zijn aan onze zwaardere lammeren. Zuid-Europeanen prefereren lichtere lammeren. Zij houden de schapen voor de schapenkaas. De lammeren gaan daar vroeg bij hun moeder weg en worden daarna nog kort afgemest.

Omgekeerd komen er ook lammeren van Frankrijk naar Nederland. De totale import bedraagt 100.000 schapen en geiten. Dat heeft te maken met de tijd van aflammeren. Nederlandse schapen krijgen jongen in de periode februari tot april. Vlees van jonge lammeren is dan ook voornamelijk in het voorjaar en de zomer te krijgen. Om ook in de herfst jong lamsvlees aan te kunnen bieden, komen er later in het jaar lammeren uit het buitenland. Vanuit Engeland gaat er een heel grote stroom lammeren naar Frankrijk. Voor een deel komen die eerst in Nederland, waar ze worden geslacht en doorgevoerd als vlees naar Frankrijk.

Binnen Nederland

Behalve dit transport van en naar Nederland, vindt er ook binnen ons land veel transport plaats. Hoeveel is onduidelijk, het wordt nergens geregistreerd. Wel is het aantal geslachte dieren bekend: 2,3 miljoen runderen, 18,8 miljoen varkens en 740.000 schapen. Elk dier is lang onderweg. Het aantal slachthuizen is in zo'n twintig jaar teruggelopen van honderden naar tientallen.

Ook zijn er de veemarkten. Voor varkens en biggen bestaan die al lang niet meer, maar nog wel voor koeien en schapen.

Voordat de kalveren naar een afmesterij gaan, worden ze eerst verzameld en op kwaliteit gesorteerd. Kleine beestjes die wat langer moeten groeien, komen bij elkaar en de dikkerds ook. Zo kan de kalvermester effici?nter werken.

Effici?ntie is waar het om draait in de veehouderij. Zo verdient elke boer en handelaar het meest. Wil je de structuur veranderen en minder transporten toestaan, dan kost dat geld. Bergsma verwacht dat de prijzen dan anderhalf keer zo hoog worden en hij denkt niet dat de consument dat wil opbrengen. De Groningse landbouweconoom dr. Dirk Strijker denk daar anders over. Hij trekt de vergelijking met de biologische veehouderij, waar al weinig veetransport plaatsvindt. De prijs voor ekovlees is best op te brengen, meent hij. Bovendien: als je het grootschaliger aanpakt, kom je op een prijs die halfweg tussen het huidige prijsniveau en het ekovlees ligt.

Leonore Noorduyn

Figuur Hans Weggen

Re:ageer