Wetenschap - 11 april 2002

Geoliede WUR-machinerie dendert naar Brusselse subsidiepotten

Geoliede WUR-machinerie dendert naar Brusselse subsidiepotten

Wageningen bereidt zich voor op Zesde Kaderprogramma

Van de EU moet het groter, alsmaar groter. Om de Europese kenniseconomie op peil te houden is het niet meer voldoende om nietige onderzoekers, groepen, programma's of zelfs instituten te ondersteunen. In het enorme Zesde Kaderprogramma, de belangrijkste Europese subsidiepot voor wetenschappelijk onderzoek, die over een paar maanden opengaat, draait alles om samenwerkingsverbanden tussen soms tientallen onderzoeksinstellingen. Brussel heeft al gezegd dat het ongeveer zeventig procent van de achttien miljard euro aan deze wetenschappelijke megamachines wil geven.

"Wageningers zijn driftig consortia aan het vormen", zegt Willem Wolters van de afdeling Onderzoeksstrategie op het bestuurscentrum. "In ongeveer tien gevallen is Wageningen trekker van een consortium, maar meestal sluiten we ons aan bij anderen." Tot de consortia van de eerste categorie behoort bijvoorbeeld het Partners for European Environmental Research dat onderzoeksinstituut Alterra samen met vijf Europese onderzoeksinstituten heeft opgericht. Of het Europese samenwerkingsverband rond het Wageningse Centrum voor Humane Nutrigenomics, dat het verband tussen voeding, genetische aanleg en welvaartsziekten wil gaan onderzoeken.

De Wageningse animo om te participeren in de Eurocarrousel is groot. Een inventarisatie van Wageningen UR resulteerde in een lijst van 33 idee?n. Koren op de molen van de beleidsmakers van het bestuurscentrum en de kenniseenheden, die zich het vuur uit de sloffen lopen om de Wageningse belangen in Brussel te behartigen. Volgens Wolters loopt de machinerie soepel. "We waren er vroeger bij dan andere kenniscentra. De voorlichting startte hier eerder, en bij NWO zijn al voorstellen ingediend om het maken van voorstellen te ondersteunen."

Landbouw is uit

Dat is echter geen garantie voor succes, want inhoudelijk heeft Brussel de bakens in een on-Wageningse richting verzet. Waren er vroeger drie themavelden die Wageningen op het lijf waren geschreven, nu zijn dat er nog maar twee. In het veld van de biotechnologie is het accent op het biomedische komen te liggen, zodat de kansen voor de Wageningse plant- en dierwetenschappers zijn verminderd.

Het Centrum voor Humane Nutrigenomics van prof. Frans Kok is daardoor ??n van de weinige Wageningse partijen die nog uit de biotechnologievijver kunnen vissen. In dat centrum werken Wageningen Universiteit, RIKILT, ATO, Maastricht en RIVM al samen. Voor het Zesde Kaderprogramma is het centrum contacten aangegaan met verschillende Europese groepen.

Dr Ruben Kok van de kenniseenheid Plant blijft hopen. "Wat in het voordeel van Wageningen werkt, is dat we hebben leren denken in ketens", zegt hij. "Wageningen liep daarmee voorop. Nu zie je dat in het kaderprogramma weer terug." Kok doelt vooral op het veld Voedselkwaliteit en -veiligheid, waarin thema's als tracking & tracing en de impact van voedsel op de gezondheid domineren.

De grootste troef van Plant is het project van prof. Willem Stiekema en prof. Pierre de Wit, het centrum voor Biosystems Genomics, waarin Wageningen UR, Utrecht, Nijmegen, de UvA en bedrijven gaan samenwerken aan de ontwikkeling van nieuwe landbouwgewassen die zijn opgewassen tegen ziekten en een hogere voedingswaarde hebben.

De Wit blijft net als Ruben Kok optimistisch en ziet ook in het nieuwe programma kansen. "Maar we moeten wel veel lobbyen", zegt hij. "Tot aan Europarlementari?rs toe."

Ook prof. Wim Jongen, kersvers bestuurder van de kenniseenheid Dier, ziet openingen maar is voorzichtig. "Je kunt niet ontkennen dat de landbouw er qua belangstelling flink op achteruit is gegaan, maar toch biedt ook de biomedische insteek mogelijkheden. We zijn met Willem Wolters al in 2001 naar Brussel gegaan en hebben toen bijvoorbeeld gepleit voor meer aandacht voor ziekten die van dieren kunnen overgaan op mensen. Nu staan er in het programma een paar zinnetjes over prionziekten. Eigenlijk horen daar ook besmettingen als Campylobacter bij."

Behalve het themaveld van Voedselkwaliteit en ?veiligheid lonkt ook dat van de Duurzame Groei naar Wageningen. Daar richt Alterra zijn meeste pijlen op, zegt Bert Harms. "Het programma besteedt aandacht aan thema's als biodiversiteit en klimaatverandering. We zijn trouwens minder gelukkig met de geringe belangstelling voor het landschap, en nog minder met de afgenomen belangstelling voor ontwikkelingssamenwerking. Dat ervaren we echt als een gemis." Brussel heeft Alterra gevraagd om trekker op dit gebied te worden.

Nanotechnologie

Minder kansen voor het klassieke Wageningen dus. Beter zijn de verwachtingen bij de initiatieven buiten het traditionele veld. Voor de nanotechnologie trekt Brussel in het programma twee keer zoveel geld uit als voor het thema Voedselkwaliteit en ?veiligheid. Daar hoopt Wageningen BioNanoTechnology (Biont) middelen uit los te krijgen, vertelt prof. Ernst S?dholter van de leerstoelgroep Organische Chemie. "We voeren nog gesprekken over hoe we dat het beste kunnen doen. Alleen als deelnemer in een nationaal consortium, waar Biont deel van uitmaakt, of ook nog op eigen houtje." Biont is samengesteld uit onderzoekers van ATO, diverse leerstoelgroepen, RIKILT en IMAG. Het initiatief participeert samen met zeven andere onderzoeksinstellingen in het nationale Nanoned.

Wageningers zullen hun kansen moeten maximaliseren door een 'driesporenbeleid', zegt Willem Wolters: niet alleen inzetten op het aanvoerderschap van een paar consortia, maar ook deelnemen aan bestaande consortia, of daar desnoods zoeken naar specialistische niches. Die zouden bijvoorbeeld kunnen liggen in de vijftien procent van het budget die Brussel wil besteden aan het midden- en kleinbedrijf. Brancheverenigingen hebben zich al als vertegenwoordigers van de bedrijven opgeworpen, en zijn begonnen met de vorming van consortia. "Daar liggen kansen voor ons", zegt Bert van Rees van ATO, na benadrukt te hebben dat ATO nog meer ijzers in het vuur heeft.

Willem Koert

Wetenschap als ambtenarij

Over de bureaucratie van het Zesde Kaderprogramma is niet iedereen te spreken. De eis om consortia te vormen, maakt dat meedoen aan het kaderprogramma voor veel individuele wetenschappers of groepen niet meer mogelijk is.

De papierwinkel is zo groot geworden, dat alleen ingevoerde managers er nog de weg in kunnen vinden. "Toen het tijd werd om voorstellen te maken hebben Willem Wolters en wij het even aangezien", zegt prof. Ruud Huirne van de kenniseenheid Maatschappij. "Toen er niks gebeurde, zijn we er op in gesprongen." Daardoor zijn er nu drie voorstellen waarin personen binnen Maatschappij een consortium om zich heen vormen. "Over de grenzen van de kenniseenheid heen, natuurlijk", zegt Huirne. "We werken samen met de b?ta's."

Huirne is positief maar erkent dat het voor individuele groepen bijna ondoenlijk is te participeren in het kaderprogramma zonder rugdekking op het niveau van de kenniseenheid. "Voor ons is het in ieder geval te bureaucratisch geworden", zegt prof. Tiny van Boekel van de leerstoelgroep Productontwerpen en Kwaliteitskunde. "We doen mee, maar alleen via de kenniseenheid. Je moet de bureaucratisering van dit programma trouwens niet overdrijven. Ook de vorige EU-kaderprogramma's brachten bergen papier met zich mee."

Ook prof. Martien Cohen Stuart van de leerstoelgroep Fysische Chemie en Kollo?dkunde doet zelf niets met het kaderprogramma. "Ik heb met Europese projecten teveel bureaucratie gezien, en te weinig inhoud, om er nog energie voor over te hebben. Voor mijn groep zie ik het programma niet als een bedreiging, maar ook niet als kans. Ze bekijken het maar."

Cohen Stuart en Van Boekel krijgen bijval uit onverwachte hoek: prof. Frans Kok, trekker van het Centrum voor Humane Nutrigenomics. "Natuurlijk zijn wij blij met het Zesde Kader. Maar door de nadruk op grote bureaucratische eenheden loop je het risico dat je alleen nog kijkt naar de grootste gemene deler van wetenschap. De kleine excentrieke groepen met de wilde idee?n sla je over, terwijl die juist het baanbrekende werk doen."

Amerikaanse en Japanse wetenschappers zijn daarom bijzonder in hun nopjes met het Zesde Kaderprogramma. Het verkleint de kansen voor hun concurrenten om tot belangrijke doorbraken te komen. Kok: "Naast een subsidiesysteem als het Zesde Kaderprogramma zou je eigenlijk nog een ander systeem moeten hebben met vergelijkbare financi?le middelen, maar dan gericht op die excentrieke wetenschappers."

Re:ageer