Organisatie - 10 januari 2008

Gentech/ Hoe Greenpeace Monsanto helpt

In de directiekamers van grote gentechbedrijven als Monsanto en Syngenta zijn ze stilletjes erg tevreden met actiegroepen als Greenpeace, denken de Wageningse wetenschappers Evert Jacobsen en Niels Louwaars. De actiegroepen zorgen met hun protesten voor strenge wet- en regelgeving voor de introductie van gengewassen. Dat lijkt vervelend, maar het houdt de concurrentie buiten de deur.

106_achtergrond0.jpg
Greenpeace en andere actiegroepen die zich tegen genetische manipulatie keren, zien zichzelf graag als de geduchte tegenstander van de grote veredelingsbedrijven. Bedrijven die zich verrijken ten koste van grote ecologische risico’s. ‘Maar ik denk dat ze bij Monsanto juist erg tevreden zijn met Greenpeace’, zegt hoogleraar Plantenveredeling prof. Evert Jacobsen.
Het bedrijfsleven spreekt zich meestal niet uit over de actiegroepen. Maar je zou denken dat veredelaars niet blij kunnen zijn met de mensen die ervoor zorgen dat er strenge regelgeving is rond gengewassen. In Europa komen die gewassen de akker haast niet op, in Amerika en andere landen vergt de introductie van een nieuw gengewas een investering van miljoenen euro’s aan onderzoek en juristen.
‘Dat zou je denken hè, maar ik denk dat ze in stilte best tevreden zijn over die ingewikkelde procedures’, zegt Jacobsen. De situatie in de wereld van de plantenveredelaars begint volgens hem te lijken op die in de farmaceutische industrie. Alleen de allergrootste bedrijven kunnen het zich permitteren om al het benodigde onderzoek te doen, en de miljoenenrisico's te lopen. Bij de plantenveredelaars zijn er nu nog vijf bedrijven die wereldwijd opereren. De strenge regelgeving kost hen miljoenen, maar zorgt er ook voor dat kleinere concurrenten geen enkele kans maken.

Cisgenese
Jacobsen is een verklaard voorstander van het gebruik van transgene gewassen. Eén van de weinigen in Wageningen. De laatste jaren voert hij een lobby voor de term ‘cisgeen’. Cisgene gewassen zijn transgeen, maar de ingebouwde genen komen uit de eigen soort. Tachtig procent van de winst van transgenese kan ook met cisgenese worden behaald, denkt Jacobsen.
Er zijn echter maar weinig bedrijven die zich op de veelbelovende mogelijkheid storten. Bang voor de hoge investeringen en de gevreesde maatschappelijke weerstand kiezen ze liever voor klassieke veredelingsmethoden. En dat is erg jammer, vindt de hoogleraar. ‘Wij werken hier bijvoorbeeld aan het in kaart brengen van het genoom van de aardappel. Je zult zien dat als we zo meteen klaar zijn, alleen de grote jongens ermee aan de slag gaan. Dan hebben we met overheidsgeld het genoom in kaart gebracht, zodat de grote bedrijven er nieuwe monopolieposities mee kunnen opbouwen, waardoor wij te veel moeten betalen voor onze aardappelen.’ Een ander nadeel van het groepsmonopolie is volgens Jacobsen dat er minder rassen beschikbaar komen. En dat is slecht voor de biodiversiteit in voedselgewassen, en maakt de voedselvoorziening daarmee kwetsbaar voor plagen.
En waarom eigenlijk? Jacobsen: ‘In de jaren dertig tot tachtig deden we veel gekkere dingen. Tegenstanders zeggen nu dat je niet precies weet wat de effecten zijn van een ingebouwd gen. Maar toen bombardeerden we graan om hele stukken chromosoom op een willekeurige plek in het genoom te brengen. Daar hoorde je toen niemand over. We eten dat graan nog steeds met veel plezier. Maar ondertussen liggen we wel wakker van één enkel soorteigen gen dat onder veel beter gecontroleerde omstandigheden wordt ingebouwd.’
En bovendien, waar blijven de rampen die de tegenstanders voorzagen? Hoewel inmiddels miljoenen hectares grond vol staan met gensoja, genkatoen en genmaïs, is er nog nooit iemand dood gegaan aan gengewassen, en is er nog geen superonkruid te zien. Jacobsen: ‘Wij hebben nu zoveel ervaring met gengewassen dat we kunnen zeggen: het is veilig als we de reguliere regels toepassen. Je zou in ieder geval cisgene gewassen op dezelfde manier moeten beoordelen als klassiek veredelde nieuwe gewassen.’

Bt-katoen
Dr. Niels Louwaars, onderzoeker bij het Centrum voor Genetische Bronnen promoveerde onlangs op een onderzoek naar de rol van wetgeving op de zaadhandel. ‘Ik ben het helemaal eens met de analyse dat de grote bedrijven, zoals Syngenta en Monsanto profiteren van de strenge regels. Sterker nog, ik heb het wel eens iemand van Monsanto horen zeggen in de wandelgangen van een congres.’
‘Het hangt er vanaf wat je allemaal meerekent, maar de registratie van een transgeen gewas kost al snel twaalf miljoen dollar. Als je alle kosten optelt kom je snel in de buurt van de honderd miljoen. Dat zorgt ervoor dat het eigenlijk maar voor een paar gewassen loont om genvarianten te maken, namelijk voor maïs, soja en katoen. En het zorgt ervoor dat alleen grote bedrijven de kosten kunnen dragen. Daardoor komen er minder nieuwe rassen op de markt, en dat is slecht voor de agrobiodiversiteit’, zegt Louwaars.
‘Het is een van de perverse uitkomsten van de acties van de milieubeweging. Greenpeace wil het ontwikkelen van gengewassen zo duur mogelijk maken, om ze daarmee tegen te houden. Maar uiteindelijk spelen ze er de bedrijven waar ze tegen strijden mee in de kaart.’
Precies hetzelfde speelt volgens Louwaars bij eigendomsrechten op biodiversiteit. ‘Dat is in de jaren negentig opgezet om de lokale bevolking mee te laten profiteren van de genetische diversiteit van de planten en dieren in hun omgeving. Maar aan wie denk je dat de lokale bevolking hun rechten verkoopt? Juist, aan de grote bedrijven die via octrooien de grootste winst kunnen garanderen. Die kopen op die manier een monopoliepositie.’
Een voorbeeld van de manier waarop grote veredelingsbedrijven de regels gebruiken in hun eigen voordeel is volgens Louwaars de introductie van Bt-katoen in India. Bt-katoen is door een gen uit een bacterie giftig voor insecten die de plant belagen. ‘Monsanto was in de jaren negentig bezig om zijn ras Bt-katoen toegelaten te krijgen op de grote Indiase markt. Terwijl die procedure liep, waren een paar lokale veredelaars zo slim om een pakketje Monsanto-zaad te kopen in Amerika. Ze hebben toen de Monsanto-katoen gekruist met lokale katoenrassen, en zaad op de markt gebracht. Dat kon, want in India kon je toen genen niet octrooieren. Dat had meteen succes.’
Maar dat succes duurde niet lang. Monsanto protesteerde bij de overheidsinstanties dat de lokale veredelaars zich aan dezelfde regels moesten houden als de multinational. En dat de nieuwe rassen dus ook de hele molen doormoesten. Maar de Indiase veredelaars hadden geen grote onderzoeksafdelingen en batterijen juristen om de procedures zonder kleerscheuren af te ronden. Er zat dus niks anders op dan Monsanto te vragen om de gegevens. ‘Het bedrijf wilde best helpen, tegen een leuke vergoeding.’ Inmiddels betaalt een Indiase katoenboer tweederde van de kosten van zijn zaad aan Monsanto.

Patenten
Greenpeace en andere actiegroepen zijn overigens niet erg onder de indruk van het verhaal van Louwaars en Jacobsen. ‘Ach, welnee. De machtspositie van de grote veredelaars heeft niks te maken met ingewikkelde regelgeving, maar alles met de mogelijkheden om genen te patenteren’, reageert Henk Hobbelink van NGO Grain vanuit Barcelona. Hij voert al sinds begin jaren negentig actie tegen genetische erosie. ‘De grote firma’s hebben uitgebreide patentenportfolio’s. Dat is de basis voor hun economische macht. Die kwestie in India heeft daar ook mee te maken. India is toegetreden tot de WTO, en heeft zich daarom moeten neerleggen bij de mogelijkheid om genen te patenteren.’
‘Ja, ik ken dat verhaal’, reageert André van der Vlugt van Greenpeace Nederland. ‘En natuurlijk geloven wij daar niet in. Ik denk helemaal niet dat ze in de directiekamer van Monsanto zo blij met ons zijn als ze horen dat er, mede dankzij ons, nieuwe Europese richtlijnen in de maak zijn die het moeilijker maken om gengewassen te importeren. Het kost ze heel veel geld. Misschien maken bedrijven wel eens gebruik van de regels, maar in het algemeen hebben ze er echt last van.’
Als bedrijven meer onderzoek moeten doen vanwege strenge regelgeving, dan juicht Greenpeace dat toe, aldus Van der Vlugt. ‘Want wij vinden dat er nog veel meer onderzoek moet gebeuren. Sterker nog, wij vinden dat we nog zo weinig weten dat er helemaal geen veldproeven gedaan zouden moeten worden.’

Re:ageer