Organisatie - 12 oktober 2006

Generatie Einstein/ Briljant of oppervlakkig?

De nieuwe wervingscampagne van Wageningen Universiteit is gebaseerd op de gedachte dat de jongeren van nu intelligenter en socialer zijn dan ooit. Dit idee van communicatiebureau Keesie, uitgewerkt in het boek Generatie Einstein, oogstte lof in Den Haag. Maar Wageningse experts zijn niet overtuigd. ‘Als je iets van jongeren wil, is het natuurlijk lekker om ze te paaien met de opmerking dat ze slimmer zijn.’

Ze trekken op in groepjes, kijken verveeld uit hun ogen en zijn vergroeid met hun mobieltje. Jongens met petjes, meisjes in shirts met teksten die suggereren dat ze in de seksindustrie werken. Ze spijbelen van school en zijn niet weg te slaan van internet. De hele dag chatten ze in gladde oneliners - ‘F#ck U2! ;-)’ - met god weet wie, terwijl tv en stereo keihard staan te pompen.
Net als bij voorgaande generaties, maken ouders en gezagsdragers zich zorgen over de toekomst van deze multimediatieners. Nergens voor nodig, vinden Jeroen Boschma en Inez Groen, schrijvers van het boekje Generatie Einstein. Ze stellen dat de jeugd juist slimmer, sneller en socialer is dan vroeger. Met die gedachte in het achterhoofd heeft communicatiebureau Keesie, waar beide auteurs werken, de nieuwe wervingscampagne voor Wageningen Universiteit ontworpen.
De Einsteinjongeren groeien volgens Boschma en Groen op in een heel specifieke omgeving. Ze kennen slechts de economische voorspoed van het laatste decennium. Commercie is voor hen een gegeven, niet iets waar je voor of tegen bent. En hoewel ze vaak opgroeien in gebroken gezinnen, zijn het liefdesbaby’s die worden vertroeteld. Het gezin, zo stellen Boschma en Groen, is een gezellige omgeving waar een sfeer van overleg en afstemming heerst. Geen instituut om je tegen af te zetten.

Mediasmart
Maar het grootste verschil met vroeger is volgens het boek dat de jongeren behoren tot de eerste generatie voor wie internet vanzelfsprekend is. Door het gigantische aanbod aan informatie beseffen ze dat ze nooit alles kunnen weten en dat informatie meestal gekleurd is. De Einsteiners zijn ‘mediasmart’. Ze zijn kritisch op reclameboodschappen en dubbelchecken informatie voordat ze die voor ‘waar’ aannemen.
Ook zijn de jongeren volgens de schrijvers meesters in het scannen van informatie. Waar de oudere generatie een boek begint te lezen bij bladzijde één, zapt een Einsteiner dwars door het boek en pikt eruit wat hij nodig heeft. Hierin zien ze de slimheid en snelheid van de nieuwe generatie. Het ‘multitasken’ - tegelijkertijd sms’en, tv-kijken en huiswerk maken - vergt een aanspraak op hun beide hersenhelften. Dit andere gebruik van de hersenen wijst volgens het boek op creativiteit. In deze creativiteit en multidisciplineerdheid zien Boschma en Groen de overeenkomst met Einstein.
De individualistische maatschappij met veel keuzemogelijkheden en een overdaad aan boodschappen maakte voorgaande generaties nog angstig, aldus de auteurs. Maar Einsteinjongeren gaan de complexe wereld te lijf door collectief op te trekken. Ze hechten sterker dan vorige generaties aan traditionele familiebanden en aan trouw binnen relaties. Computers en mobieltjes zijn sociale machines geworden: via msn en sms staan ze voortdurend in contact met elkaar. Daaraan zie je volgens het boek dat de nieuwe generatie socialer is dan de voorgaande.
Het boek van Boschma en Groen sloeg aan in Nederland. Serieuze media als de Volkskrant en NOVA pakten uit over het fenomeen generatie Einstein. Voor beoogd premier Wouter Bos was het boek zelfs aanleiding om jongeren actief te betrekken bij de verkiezingscampagne. Bij het in ontvangst nemen van het boekje stelde hij: ‘Dit boek leert ons dat we de huidige generatie juist positief moeten benaderen.’

Oppervlakkiger
Toch staat niet iedereen te juichen bij de conclusies van Generatie Einstein. Het boek is een typisch verschijnsel van ‘wiens brood men eet, wiens woord men spreekt’, aldus dr. Gert Jan Hofstede van de leerstoelgroep Toegepaste informatiekunde, die zichzelf onder meer kwalificeert als ‘generalist’ en ‘cultuurpsycholoog’. ‘Als je iets van jongeren wil, is het natuurlijk lekker om ze te paaien met de opmerking dat ze slimmer zijn. Het argument dat de schrijvers gebruiken is dat de jongeren wel veranderd móeten zijn. De omgeving is immers zo veranderd. Maar moet je veranderen om in te spelen op de omgeving?’ Hofstede denkt dat wanneer je mensen op de proef stelt met nieuwe dingen, ze andere kwaliteiten gaan aanspreken om met de situatie om te kunnen gaan.
‘Vroeger speelden meisjes met poppen en jongens wilden de baas zijn van het schoolplein. Nu spelen meisjes SIM’s op de computer en jongens willen de beste zijn in online schietspelletjes. Vroeger hadden we het over de roddels in het dorp. Nu hebben we het erover wat die mensen in dat huis van Talpa gisteravond weer uitgespookt hebben. Het is gewoon weer een variatie op een thema.’
Ontwikkelingspsychologe Rita Kohnstamm denkt dat jongeren tegenwoordig inderdaad meer weten dan vroeger. ‘De afgelopen generaties leren steeds meer en langer en dat proces is al een tijd aan de gang. Ik geloof ook wel dat ze door de moderne media sneller informatie kunnen verwerken. Het is alleen de vraag wat je dóet met die kennis. Of ze slimmer zijn weet ik dus niet. Ik denk eigenlijk dat de flexibiliteit in hun denken hetzelfde is als bij eerdere generaties.’
Kohnstamm gelooft in elk geval niet dat de jeugd socialer of trouwer is geworden. ‘Ik zie dat jongeren meer sociale vaardigheden bezitten dan vroeger. Ze praten makkelijker. Dat wil echter niet zeggen dat ze meer dan vroeger sociaal voelend of meelevend zijn. Ik zie eerder een soort oppervlakkigheid in relaties bij jongeren. Flexibiliteit is tegenwoordig een groot goed. Er is namelijk zo veel te kiezen. Mensen blijven ergens hangen zo lang als het leuk is of het een uitdaging blijft. Je moet je niet teveel vastleggen. Je moet weg kunnen.’
Op het eerste gezicht klinken volgens de ontwikkelingspsychologe ‘flexibiliteit’ en ‘oneindige keuzemogelijkheden’ aantrekkelijk. ‘Maar op basis waarvan maak je die keuzes? Vroeger bepaalde de kerk, de politieke partij of de levensvisie van de ouders wat je moest doen, denken of vinden. Tegenwoordig schrikken ouders daarvoor terug. Dat moeten de kinderen zelf doen. Zo is iedereen maar van ervaring naar ervaring aan het hoppen om tot een visie te komen. Ik denk dat het makkelijker is om een visie opgelegd te krijgen waar je je vervolgens tegen kunt afzetten, dan om alles zelf te moeten uitvinden. Je loopt de kans om zoekende te blijven.’

Gladjanussen
Gezinssocioloog prof. Kees de Hoog is nog uitgesprokener in zijn kritiek. ‘Dit is flauwe onzin. Ik haat dat: omdat jongeren beter kunnen omgaan met nieuwe technologie, ook meteen zeggen dat ze daarom slimmer zijn dan voorgaande generaties. Van die gladjanussen die dat beweren. Zonder echt empirisch onderzoek te doen.’
De Hoog ziet juist een aantal grote problemen in Nederland ontstaan. ‘Op zich geloof ik wel dat in gezinnen met kinderen, de kinderen gewild zijn. Maar ze groeien vaak op met gescheiden ouders. Ze zijn bovendien een soort statussymbool geworden. De kinderen moeten enorm presteren, zodat de ouders kunnen vertellen hoe goed hun kind is.’ Dit soort waarden nemen de kinderen volgens de socioloog allemaal mee in hun eigen ontwikkeling.
Maar kunnen ze niet juist daardoor kritischer en slimmer zijn geworden? ‘Als je slim bent geef je toch geen drieduizend euro uit aan zo’n scooter waar je jezelf mee te pletter rijdt?’ De gezinssocioloog neemt de ideologie van de schrijvers dan ook niet serieus. ‘Als je hun ideeën volgt, behoort een huisvrouw ook tot de generatie Einstein. Al tv-kijkend de baby vertroetelen, boontjes doppen en door de vitrage de straat in de gaten houden. Nee, bureau Keesie moet in de hoek gaan staan. Ik snap niet dat respectabele organisaties zoals Wageningen UR hier intrappen.’

Re:ageer