Organisatie - 1 januari 1970

Gemengd bloed doet veredelaars goed

Bijna een jaar zitten de plantenveredelaars van de universiteit en Plant Reserch International nu bij elkaar. Sinds begin dit jaar hebben ze zelfs een formele naam: Plant Breeding Wageningen UR. ‘Na drieënhalf jaar praten over samenwerken werd het tijd om het gewoon maar te gaan doen’, constateert prof. Richard Visser.

De plantenveredelaars van de universiteit en DLO, die in het verleden nogal eens in elkaars vaarwater zaten, varen nu onder dezelfde vlag. ‘Terug bij af klinkt te negatief, het is eerder back to our roots’, zegt prof. Richard Visser, de hoogleraar Plantenverdeling die de recent gevormde groep leiding geeft.
In een ver verleden splitsten voorlopers van de business unit Biodiversiteit en veredeling van PRI zich af van de Landbouwhogeschool. De afsplitsingen zouden het onderzoek gaan doen voor de overheid en het bedrijfsleven, iets wat niet zou passen bij een academische organisatie.
Wat is er opeens veranderd dat samenwerking nu beter is? Visser: ‘De samenwerking past in het tijdsbeeld, maar wellicht splitst zich over tien jaar weer iets af. Door nu bij elkaar te kruipen, kunnen we als groep het hele veld van de veredeling blijven bestrijken. Het heeft ook te maken met ambitie. Samen zijn we de sterkste onderzoeksgroep in Europa, apart kunnen we allebei goed meedoen in de middenmoot.’

Bloedgroepen
De samenwerking is deels uit nood geboren, erkent Visser. ‘We hebben de afgelopen jaren met flinke bezuinigingen te maken gehad. De leerstoelgroep heeft nog maar heel weinig vaste medewerkers. We hebben ons daarom gespecialiseerd in vier gewassen: aardappel, tomaat, gerst en cassave. De business unit heeft te maken met een terugtrekkende overheid en werkt aan allerlei gewassen en problemen, als er maar opdrachtgevers in geïnteresseerd zijn. Door de fusie kunnen we als totaal beter het hele vakgebied blijven bedienen’, meent Visser. Zo kunnen studenten profiteren van de kennis die instituutsmedewerkers hebben over veredeling van sierteeltgewassen, terwijl de fundamentele kennis van de universiteit soms goed van pas komt om onderzoekscontracten binnen te halen.
De verschillende bloedgroepen bestaan echter nog wel. Visser: ‘LNV-geld voor beleidsondersteunend onderzoek gaat niet naar de universiteit en publiek geld gaat niet zomaar naar DLO. Juridisch zijn de onderdelen nog strikt gescheiden. We hebben wel geprobeerd de bloedgroepen op de werkvloer zo min mogelijk een rol te laten spelen.’ De universiteitsmedewerkers zijn na hun verhuizing naar de Droevendaalsesteeg volledig verspreid over de kamers van de business unit, zodat er geen DLO- of universiteitsgangen ontstaan.

Pasjes
Visser erkent dat er bij beide onderdelen vooroordelen waren, waardoor het vrij lang geduurd heeft voor de kogel door de kerk was. ‘Bij de universiteit hadden ze het over de overgeorganiseerde bureaucraten bij DLO, terwijl ze bij de business unit bang waren voor het losgeslagen zootje ongeregeld van de universiteit. Kan ik mijn spullen nog wel laten rondslingeren en hoe zit het met onze bedrijfsgeheimen? Nou ja, zoveel geheimen blijken er dus ook weer niet te zijn’, lacht Visser.
De beveiliging van het pand leverde de meeste discussie op. ‘In DLO-gebouwen werken ze met een pasjessysteem. Eigenlijk wilde men alleen de vaste medewerkers van de leerstoelgroep een pasje geven waarmee je ook buiten kantooruren het pand in kunt. Daar kun je bij de universiteit niet mee aankomen. Ik heb meteen gezegd: we komen alleen als iedereen het ruimste pasje krijgt en ook in het weekend kan werken. Dat is ook gebeurd en ik hoor niemand er meer over.’

‘Uurtje, factuurtje’
In totaal kent de nieuwe afdeling Plant Breeding nu zo’n 150 medewerkers, 80 van de universiteit en 70 van PRI. Visser: ‘De personeelsopbouw is wel ontzettend scheef. De universiteit heeft maar 14 vaste aanstellingen, terwijl dat er bij de business unit zo’n 45 zijn. Het betekent dat je bij de universiteit met een kleine overbelaste staf zit, maar toch relatief flexibel bent. Bij het DLO-deel is er maar weinig flexibiliteit. Het is ieder jaar maar weer afwachten is of je wel genoeg opdrachten binnenhaalt om je vaste mensen aan het werk te houden.’
De druk om opdrachten binnen te halen kost medewerkers veel energie en dreigt volgens Visser ten koste te gaan van het resultaat. ‘In het systeem is het eerste belang niet dat je je werk goed doet, maar dat je voldoende uren kunt schrijven. Zelfs analisten worden daar op afgerekend, terwijl zij er niets aan kunnen doen. We proberen een deel van deze druk bij de analisten weg te halen, zodat mensen plezier in hun werk houden. Wat mij betreft geen cultuur van uurtje, factuurtje. Het resultaat moet voorop staan.’

Gert van Maanen

Re:ageer