Wetenschap - 1 januari 1970

Gekweekte andijvie lijkt voorouder van wilde soorten

Gekweekte andijvie lijkt voorouder van wilde soorten

Gekweekte andijvie lijkt voorouder van wilde soorten

Een generatiekloof scheidt de plantentaxonomen, zo bleek vorige maand op een studiemiddag van de Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging. De klassiek opgeleide, vaak wat oudere taxonomen vergelijken de vorm en bouw van planten en bloemen. Hun jongere collega's verdiepen zich in rekenprogramma's en moleculaire technieken. Gaat dat wel samen?

De Wageningse taxonoom dr Ronald van den Berg, 46 jaar, ziet de moderne technieken als een welkome aanvulling op de klassieke morfologische technieken. De morfologie kan bijzonder misleidend zijn. Dat komt doordat planten zich aanpassen aan het milieu, waardoor niet-verwante soorten er hetzelfde uit gaan zien. Moleculen hebben daar geen last van. Maar ik zeg niet dat de moleculaire aanpak altijd gelijk heeft. Moleculaire methoden kunnen onderling ook verschillende resultaten geven, afhankelijk van welk stuk DNA je bekijkt. Hij waarschuwt dat laboratoriumexperimenten moeten worden teruggekoppeld met de planten in de natuur. Onder taxonomen leeft de angst dat onderzoekers de plantenmorfologie overslaan en gelijk naar het DNA gaan.

Dr Ruud van der Meijden, hoofd van de Leidse onderzoekgroep Nederlandse en Europese flora, is gepokt en gemazeld in de klassieke plantenmorfologie. Voor hem zijn de moleculaire technieken vrij nieuw. Als oudere - ik ben 54 - heb ik veel moeten bijleren, anders kon ik niet meer praten met mijn aio. Aan de ene kant ziet de Leidenaar het DNA-onderzoek als interessante mogelijkheid voor probleemgevallen in de flora die na tweehonderd jaar morfologisch onderzoek nog niet zijn opgelost. Aan de andere kant vindt hij het nog te vroeg om te kunnen zeggen of de DNA-technieken echt fundamentele oplossingen bieden. Op fingerprinting-niveau geloof ik dat de methode beslist bruikbaar is. Ze is van een geweldige betekenis om verwantschappen aan te geven binnen populaties.

Maar gaat het om verwantschappen tussen soorten, dan is Van der Meijden minder enthousiast. De eerste resultaten vind ik lollig, maar niet overtuigend. DNA-analyses zijn fascinerend maar of ze ons dichter bij de waarheid brengen? Ik betwijfel het. Je kijkt naar bandjes op gels. Mag je die bandjes beschouwen als kenmerken? Ik heb het gevoel dat we dingen doen die wetenschappelijk gezien eigenlijk niet mogen.

Uit de DNA-analyses van zijn aio ir Annemieke Kiers komen in zijn ogen onwaarschijnlijke resultaten. Kiers onderzocht verwantschappen binnen het geslacht Cichorium, waartoe de wilde cichorei en de andijvie behoren. Uit de wilde chicorei is de witlof gedomesticeerd; van de andijvie is de wilde voorouder niet bekend. De soorten C. intybus (wilde cichorei en witlof) en C. endivia (andijvie) lijken morfologisch zo veel op elkaar dat alleen het verschil in vruchtpluis kan leren welke soort het is. Volgens alle vier de toegepaste DNA-technieken zijn deze twee soorten echter onderling helemaal niet nauw verwant. De naaste verwant van witlof zou C. spinosum zijn, nota bene een klein stekelig plantje dat geheel niet op andijvie en cichorei en witlof lijkt

Nog merkwaardiger is dat de andijvie bij alle vier de DNA-analyses tevoorschijn komt als voorouder van de wilde soorten C. pumilum en C. calvum. Hoe kan een gedomesticeerde soort voorouder zijn van een wilde soort? Kiers heeft minder problemen met de uitkomst. Je kan met de gebruikte methode niet zeggen dat de oon de voorouder is van de ander. Je kunt alleen zeggen dat ze tot een zelfde cluster van nauwverwante soorten horen. M.Hg

Re:ageer