Wetenschap - 1 januari 1970

Geen wetenschappelijke missers bij Natuurbeheer

Geen wetenschappelijke missers bij Natuurbeheer

Geen wetenschappelijke missers bij Natuurbeheer

De kritiek die onderzoeker Marja van Staalduinen drie weken geleden in Trouw leverde op het onderzoek van de sectie Natuurbeheer van de Landbouwuniversiteit was onterecht. Dat zegt een hoogleraar die de zaak vorig jaar heeft onderzocht voor de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het rapport was volgens NWO-voorlichter Jacques Niessen glashelder. In het Agrarisch Dagblad zegt hij: Er is maar oon ding fout gegaan en dat zit in het begin van het onderzoek: het onderzoeksteam en deze mevrouw hadden nooit met elkaar in zee moeten gaan.

Marja van Staalduinen kritiseerde in haar artikel de werkwijze van het onderzoeksteam. De onderzoekers zouden het model NUCOM hebben getest aan de hand van gegevens die zij eerst in het model hadden gestopt. Bovendien leverde het model resultaten op die in strijd waren met de werkelijkheid. Zo zouden dennen volgens de computer tien jaar kaal op de Veluwe hebben gestaan, om daarna ineens weer fris en groen op te bloeien

Dr Wim Arp en dr ir Harmke van Oene, de onderzoekers die bij Natuurbeheer nog aan het model NUCOM werken, zijn zich van geen kwaad bewust. Zij zijn ervan overtuigd dat ze het model aan de hand van onafhankelijke meetresultaten hebben getoetst. De rare resultaten die Van Staalduinen meldt, hebben zij nooit gezien

De basis voor NUCOM werd al in de jaren tachtig gelegd. Hoogleraar prof. dr Frank Berendse heeft het model ontwikkeld om de concurrentie tussen verschillende plantensoorten in de natuur te simuleren. De afgelopen jaren is het model steeds verder uitgebreid. Van Oene werkte met Van Staalduinen aan een simulatie van de komst van plantengroei op Veluwse stuifzanden. Het model werkte met zeven plantensoorten, drie grassen, een struik en drie boomsoorten. De groei van elke plantensoort werd in computertaal beschreven met een twintigtal kengetallen over bijvoorbeeld de stikstofconcentratie in de bladeren en de verdeling van suikers over verschillende onderdelen van de plant

De computer combineert die kengetallen met klimatologische gegevens van het KNMI en met cijfers over de bodemgesteldheid. Resultaat van het model is een grafiek met het verloop van de biomassa van de verschillende plantensoorten. Dat resultaat werd vergeleken met de werkelijke situatie op de Veluwe. Daarvoor werden vier oude stuifzanden in kaart gebracht die op verschillende momenten in de geschiedenis begroeid zijn geraakt

Het grootste deel van de invoergegevens haalde Van Oene uit literatuur en onderzoeksgegevens van de leerstoelgroep. Een aantal parameters was niet beschikbaar en werd gemeten op de Veluwe. Je zou kunnen zeggen dat die gegevens dus niet onafhankelijk zijn van de meetgegevens waar het model later aan werd getoetst. Maar, pareert Van Oene, die parameters beschrijven heel andere grootheden dan de cijfers over de biomassa waar het model later aan is getoetst. Ook de recent geaccepteerde publicatie in het toonaangevende Ecological Applications toont volgens haar aan dat de onderzoekers gewerkt hebben volgens de wetenschappelijke normen. Het blijft natuurlijk maar een model. De werkelijkheid is altijd anders. Wij proberen die zo goed mogelijk te begrijpen en modellen zijn daarbij een hulpmiddel. K.V

Nederlandsch Octrooibureau opent vestiging in Wageningen

Re:ageer