Wetenschap - 1 januari 1970

Ganzenexpert Bart Ebbinge strijdt voor goed onderbouwd beleid

Ganzenexpert Bart Ebbinge strijdt voor goed onderbouwd beleid


Zes miljoen is een groots ganzenspektakel meer dan waard

Het ganzenbeleid is aan vernieuwing toe, vindt ganzenexpert dr Bart Ebbinge
van Alterra. Het aantal ganzen dat Nederland aandoet is sterk gestegen.
Maar de overheid is niet bereid ongelimiteerd de door overwinterende ganzen
veroorzaakte landbouwschade te vergoeden. Tegelijkertijd speelt de vraag in
hoeverre Nederland een grens aan de aantallen ganzen mag stellen. Er is
beleid nodig dat wordt ondersteund door ecologisch onderzoek, vindt
Ebbinge.

Elke winter strijken anderhalf miljoen ganzen in Nederland neer om gras te
grazen. Voor de schade die ze berokkenen aan de graslanden van boeren keert
het ministerie van LNV jaarlijks zes miljoen euro uit. Dat is zo'n vier
euro per gans, of jaarlijks vijftig cent per Nederlander. ,,Dat is toch
niet veel'', vindt Ebbinge. ,,Het is een prachtig, indrukwekkend spektakel,
die overtrekkende ganzen, als het net licht begint te worden en ze van hun
slaapplaatsen naar de weilanden vliegen.''
Binnen Europa is Nederland de belangrijkste pleisterplek voor ganzen in de
wintermaanden. Dat geeft Nederland een grote verantwoordelijkheid voor de
ganzen. Tot tachtig procent van de grauwe ganzen en kolganzen graast op
Nederlandse weiden, en van de brandganzen en Spitsbergense kleine
rietganzen is dat zelfs 95 procent. Langs de kust pleistert soms ruim een
derde van alle Europese rotganzen, terwijl de rietgans vooral in strenge
winters erg talrijk kan zijn. De Nederlandse regering was dan ook
voortrekker bij het tot stand komen van de African-Eurasian Migratory
Waterbird Agreement in 1999, waarin onder meer de bescherming van ganzen
wordt geregeld.

Afschot

De Nederlandse verantwoordelijkheid brengt steeds hogere kosten met zich
mee, want het aantal ganzen is de afgelopen dertig jaar sterk gestegen. In
1970 deden zo'n honderdduizend ganzen Nederland aan, in 2000 was dat tien
keer zoveel; ruim een miljoen. Uit een overzicht van de vereniging van
vogeltellers Sovon blijkt dat ganzen en zwanen jaarlijks op een gebied van
1,2 miljoen hectare wel eens aan de grond komen. Dat is een kwart van
Nederland.
Het lijkt dus logisch dat ganzen in Nederland een plek krijgen waar ze
kunnen grazen, maar tot nu toe is het beleid ten aanzien van ganzenopvang
vooral een kwestie van pappen en nathouden, vindt Ebbinge. Een van de
problemen is dat onder de nieuwe Flora- en Faunawet de provincies zelf
belast zijn met de uitvoering van het beleid. Elke provincie kan zelf
beslissen of afschotvergunningen worden afgegeven, zonder enige coördinatie
op landelijk of internationaal niveau. Volgens Ebbinge kan de overheid de
kosten alleen op een verantwoorde manier in de hand houden met een
internationaal beheersplan dat gebaseerd is op een goed inzicht in de
populatiedynamica.
De regeling die Ebbinge voorstaat, is simpel. ,,Er bepaald worden hoeveel
ganzen je voldoende acht om aan onze internationale verplichtingen te
voldoen en vervolgens waar je die ganzen opvangt, en waar niet." Er is voor
de anderhalf miljoen ganzen die Nederland nu aandoen volgens Ebbinge zestig-
tot zeventigduizend hectare grasland nodig met de hoge kwaliteit gras die
Nederlandse melkveehouders kunnen garanderen. Boeren die aan ganzenopvang
doen krijgen daarvoor een vergoeding. Buiten de ganzenopvanggebieden zijn
de ganzen niet welkom. Ebbinge sluit zelfs niet uit daar op ganzen te
jagen, waardoor ook de aantallen beperkt kunnen blijven. Volgens hem leren
ganzen snel waar ze wel en niet welkom zijn.
Dat ganzenopvang werkt, blijkt uit de experimentele ganzenopvang, waarbij
641 boeren op gezamenlijk vijftienduizend hectare voor de ganzen beheren.
Uit onderzoek van Ebbinge en zijn collega's van Alterra blijkt dat
dergelijke opvang te verkiezen is boven het constant verjagen van ganzen.
Opvang zorgt voor rust en geeft de boeren zekerheid. Ze hoeven niet meer
telkens achter de ganzen aan te jagen, maar krijgen voldoende vergoeding
voor het grazen. Het meest opvallende vindt Ebbinge de veranderde houding
van boeren. Die staan nu veel positiever tegenover ganzen. ,,Voorheen waren
alle ganzen rotganzen,’’ zegt boer Reitsma in het onderzoeksrapport, ,,nu
zijn er ook brandganzen, kolganzen, rietganzen, et cetera. Ik heb een
andere kijk op de dieren gekregen.''

Hypocriet

Het onderzoeksrapport van Alterra is enthousiast ontvangen. Directeur-
generaal André van der Zande van het ministerie van LNV zegde tijdens de
presentatie van het rapport toe dat er in de toekomst grotere oppervlakten
zullen worden aangewezen voor ganzenopvang. Dat is een eerste stap in de
goede richting, vindt Ebbinge. Maar als je ganzenopvang goed wilt
reguleren, zul je ook op ganzen moeten jagen, en dat is een taboeonderwerp
geworden. ,,Alleen als je vegetariër bent, kan ik respecteren dat je tegen
het doden van dieren bent, maar als je wel vlees eet, zullen er toch dieren
doodgemaakt moeten worden. Jagers ontkennen soms dat ze jagen eigenlijk
leuk vinden, en zeggen dat ze het wel moeten doen om de boeren te helpen
bij het voorkomen van landbouwschade. Vogelbeschermers zijn soms tegen
jacht, maar keuren het goed als een exoot als de Nijlgans geschoten wordt.
Dat vind ik hypocriet. Al die lieve lammetjes waar iedereen in het voorjaar
zo van geniet, worden uiteindelijk ook geslacht. Als er op verantwoorde
wijze wilde ganzen worden geschoten - geoogst noemen ze dat in Noord-
Amerika - dan heb ik daar geen bezwaar tegen.''
Om te zorgen dat het ganzenopvangbeleid succesvol wordt, is meer onderzoek
onontbeerlijk, vindt Ebbinge. Dat het onderzoek naar het
ganzenopvangexperiment bij de boeren door diezelfde boeren betaald is,
vindt hij tekenend voor het gebrek aan aandacht van de overheid. Het
huidige beleid kan namelijk ook aan het eigen succes ten onder gaan. Want
wat gaan we in Nederland doen als er meer ganzen komen dan ons lief is?
Hoeveel mag de ganzenopvang eigenlijk kosten? Hoeveel land willen en kunnen
we missen om ganzen op te vangen? Het zijn allemaal vragen die zonder
langdurig populatieonderzoek niet zijn te beantwoorden.
Op de vraag of je als bioloog niet een soort ganzenboer wordt, reageert
Ebbinge nuchter. ,,Wat is een bioloog? Iemand die natuurlijke processen
bestudeert om te begrijpen hoe planten en dieren overleven. Pure natuur in
Nederland is een illusie, maar desondanks vind ik het Nederlandse
cultuurlandschap schitterend en is het rijk aan vogels. Ik heb het
voorrecht gehad ook in Siberië onderzoek te mogen doen. Voor dat soort pure
natuur zou je in Nederland minimaal een gebied ter grootte van de provincie
Noord-Holland moeten ontruimen.'' Het grootse spektakel dat ganzen hier
bieden is volgens Ebbinge nog maar door weinig mensen ontdekt. Dat biedt
kansen voor ecotoerisme.
Martin Woestenburg, foto Guy Ackermans

Re:ageer