Wetenschap - 9 december 2013

Ganzenakkoord afgeschoten

tekst:
Albert Sikkema

Begin december werd het Ganzenakkoord afgeschoten. Dat was de afspraak tussen provincies, natuur- en landbouworganisaties ( de G-7) om het aantal zomerganzen in Nederland te verminderen. ‘Hoe langer je wacht, hoe groter het probleem’, zegt Dick Melman van Alterra.

‘De opzegging van het akkoord verraste me’, zegt Dick Melman van Alterra, ‘al hoorde je de deelnemers aan de Ganzen 7 wel voortdurend zeggen: als we de volgende vergadering maar halen. Nu blijkt dat landbouworganisatie LTO toch bejaging van ganzen in de winter wil, terwijl de essentie voor andere deelnemers juist was dat er in de winter niet op de ganzen wordt gejaagd.’

Wat is het verschil tussen zomer- en winterganzen?

‘We hebben zo’n 2 a 3 miljoen winterganzen in Nederland. Dat zijn de ganzen uit Siberië die komen overwinteren in het warme Nederland. Daarnaast hebben we zo’n 300 duizend zomerganzen die permanent in Nederland zitten. Over deze standganzen was binnen de G7 overeenstemming om dat aantal terug te brengen naar 100 duizend. Als je ze alleen in de zomer afschiet en je neemt daar vijf jaar de tijd voor, dan gaat het om 350.000- 400.000 grauwe ganzen, zo hebben we met ons model berekend.’

Waarom geen winterganzen afschieten?

‘Je kunt de zomer- en winterganzen ’s winters niet van elkaar onderscheiden. Als je ’s winters gaat afschieten, schiet je dus ook een deel van de populatie uit Siberie af. Dat roept spanning op met internationale natuurverdragen en is voor natuurorganisaties niet acceptabel. Bovendien moet je dan meer ganzen afschieten om de reductie van het aantal zomerganzen te bereiken. Daarom ging de overeenkomst over de zomerganzen. Die geven veel overlast voor de boeren, omdat ze het voorjaars- en zomergras opvreten.’

Wat nu?

‘De Rijksoverheid heeft het natuurbeheer, inclusief het ganzenbeheer, overgedragen aan de provincies. Die hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om de overlast van ganzen te beheersen. Er is alle reden om snel in actie te komen, want hoe langer je wacht, des te groter de opgave. Het aantal zomerganzen neemt snel toe, met zo’n 10-20 procent per jaar. Ik denk dat de landbouw- en natuurorganisaties het probleem scherp moeten omlijnen. Waar gaat de problematiek over, over de zomer- of de winterganzen? En gaat het over de grauwe gans of ook over andere soorten? Als het om de zomerganzen gaat, kunnen de provincies zelfstandig maatregelen nemen. Als ze maatregelen willen tegen de winterganzen, dan gaat het Rijk weer meekijken.’


Re:ageer