Organisatie - 12 maart 2009

GOD EN DARWIN

God en Darwin zitten een potje te blufpokeren. Maar laatstgenoemde heeft zijn kop er niet bij. ‘Heer’, komt het hoge woord eruit, ‘hebt U gehoord van de commotie over U en mij in de Hof van Wageningen? University of Life Sciences, en er zijn er nog die mij niet zien staan! Ze spelen ons tegen elkaar uit!’ ‘Weet ik’, antwoordt de Alwetende. ‘Maar kunt U ze dan niet uitleggen dat wij juist vrienden zijn?’ God zucht diep. ‘Ze luisteren niet. Full House, Charles.’
Darwin is nog niet tevreden. ‘Maar Heer, U heeft de oerknal gemaakt, dan moet dit toch een peulenschilletje zijn!’ ‘Hè’, zegt God, ‘ik dacht dat jij dat had gedaan, volgens de laatste inzichten.’ ‘Nee Heer, ik kwam er pas in bij de aardse oersoep. Alles daarvóór is Uw werk.’
God gaat wat rechter op zitten. ‘Nou, dat is tenminste iets Charles, dat ik dat nog op mijn naam heb staan – ik krijg tegenwoordig niets meer voor elkaar.’ ‘Maar Heer’, zegt Darwin, ‘er zijn er veel die nog denken dat U vijfduizend jaar geleden de aarde heeft geschapen…’ God lacht hartelijk. ‘En dat terwijl het net andersom is. Rond die tijd hadden ze de landbouw uitgevonden, snap je, en werden ze ineens talrijk, en gingen ze landverhuizen en oorlogvoeren, en toen hebben ze mij bedacht. En populair dat ik was!’ Weer zucht Hij. ‘Jou heb ik ook nog geschapen, Charles. Goed werk, al zeg ik het zelf. Tegenwoordig heb ik alleen nog maar de rotklusjes. Elk moordend leger denkt dat ik aan zijn kant sta…’
‘O, maar dat kan ik wél verklaren, Heer.
In U geloven geeft een enorm selectievoordeel voor een volk. Leider sterft, maar U blijft. Doden mag, want U heeft het zelf bevolen. En…’ ‘Zwijg en speel, Charles.’ Darwin speelt. ‘Poker aas,
Heer.’

Re:ageer