Wetenschap - 1 januari 1970

Evaluatie agrarisch natuurbeheer tot nog toe onvoldoende

Evaluatie agrarisch natuurbeheer tot nog toe onvoldoende

Evaluatie agrarisch natuurbeheer tot nog toe onvoldoende

Zestien jaar na de eerste beheersovereenkomsten met boeren om meer natuur te krijgen in Nederland, weten we nog steeds niet of deze overeenkomsten effect sorteren. Dat komt omdat er geen wetenschappelijk verantwoorde evaluatiestudies zijn gedaan, stelt de leerstoelgroep Natuurbeheer en plantenecologie in Wageningen. Deels klopt dat, reageert het ministerie van LNV


Vorige week concludeerden onderzoekers van de Landbouwuniversiteit dat de beheersovereenkomsten geen natuurwinst hebben opgeleverd in twee Utrechtse polders. Volgens dr ir David Kleijn van de leerstoelgroep volgt de studie een nieuwe, wetenschappelijk verantwoorde aanpak. Percelen waarop boeren beheersmaatregelen nemen zijn namelijk vergeleken met controle-gebieden die zich kenmerken door dezelfde natuurpotentie en abiotische omstandigheden. Om qua natuurpotentie en abiotische omstandigheden vergelijkbare agrarische gebieden te kunnen bestuderen, aldus Kleijn, werk je al gauw op niveau van percelen

Critici benadrukken echter de nadelen. Een vertegenwoordiger van de Dienst Landelijk Gebied Utrecht van het ministerie van LNV, verantwoordelijk voor de evaluatie van het agrarisch natuurbeheer, stelde in De Volkskrant dat het onderzoek aan alle kanten rammelt. De schaal van weilanden is te klein om betrouwbare uitspraken te kunnen doen, aldus de woordvoerder, zeker als het gaat om weidevogels; die vliegen immers van hot naar haar. Kleijn is het daar niet mee eens: Als beheersovereenkomsten effect zouden hebben, mag je ook op perceelniveau een groter aantal nesten, een toegenomen broedsucces of meer vogels verwachten.

Het Wageningse rapport concludeert dat de effectiviteit van beheersovereenkomsten onbekend is, omdat er geen wetenschappelijk verantwoorde evaluatiestudies zijn gedaan. De vele organisaties en ingenieursbureaus die evaluatieonderzoek deden, gebruikten ieder een eigen methode en onderzochten nooit controle-gebieden om de uitkomsten te vergelijken. Deels klopt dat, reageert Jan Krooskop van de Dienst Landelijk Gebied Gelderland. Maar dat er zoveel verschillen zijn in aanpak, is inherent aan het regionaal meten van natuur. Elk type gebied stelt daar eigen eisen aan.

De Wageningse onderzoekers stellen ook vast dat bij evaluaties nooit is gekeken naar andere groepen dan planten en vogels. Ze vragen zich af of planten en dieren goede indicatorsoorten zijn voor biodiversiteit. Krooskop wijst echter op de praktische beperkingen: meer soorten monitoren is duurder

Drs Joost Reus van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) kan zich wel vinden in de Wageningse aanbeveling dat de evaluatie van agrarisch natuurbeheer moet worden verbeterd. Ook drs Wolf Teunissen van de vereniging SOVON Vogelonderzoek Nederland vindt dat de evaluatie van de Dienst Landelijk Gebied te wensen overlaat. De dienst kijkt maar eens in de zoveel jaar, terwijl je eigenlijk elk jaar zou moeten monitoren. En dan moet je de resultaten ook vergelijken met referentiegebieden.

Volgens Reus is dit laatste weliswaar wenselijk, maar zal het steeds moeilijker worden om vergelijkbare agrarische gebieden te vinden waar goon beheersmaatregelen worden genomen. Dit gezien de groei van het aantal gebieden waar boeren en vrijwilligers, al of niet verenigd in natuurverenigingen, meer natuur proberen te krijgen

Overigens zal de evaluatie in de komende jaren sowieso veranderen, omdat het ministerie werkt aan nieuwe beheersovereenkomsten. Hierbij worden boeren niet alleen gecontroleerd en afgerekend op de maatregelen die ze nemen, maar ook op het resultaat. Om te kunnen afrekenen op resultaat omschrijft de dienst nu voor zo'n twintig agrarische gebieden voor welke soorten planten of dieren boeren een extra bedrag kunnen krijgen. Het CLM ziet graag dat natuurverenigingen een belangrijke rol krijgen in de controle en monitoring van agrarisch beheer. Kleijn stelt voor dat ook ecologen boeren hierin ondersteunen. Zie ook pagina 7. M.H

Re:ageer