Organisatie - 22 november 2007

Europees onderzoek doe je voor de contacten

Voor het geld en de wetenschappelijke doorbraken hoef je het niet te doen. Europese onderzoeksprojecten zijn zelden vernieuwend en kosten veel (reis)tijd. Wel leveren ze producten op die een leerstoelgroep of instituut nooit in z’n eentje kan ontwikkelen. En wellicht nog belangrijker: de deelnemende wetenschappers krijgen invloed op de onderzoeksagenda van de EU.

Van een Europees project word je als onderzoeker niet rijk. ‘Er is vaak meer inzet en tijd nodig voor een project dan er wordt beloond’, zegt prof. Harry Blokhuis, die het grote Europese programma Welfare Quality trekt. Ook leidt EU-financiering doorgaans niet tot wetenschappelijke doorbraken. ‘Niet alle groepen binnen ons netwerk zijn even sterk’, zegt prof. Michael Müller, deelnemer aan de Europese Nutrigenomics Organisation (NUGO). ‘Uit NUGO komt kennis die heel valide is, maar dan ben je niet innovatief.’
Toch vinden beide onderzoekers de Europese onderzoekssamenwerking zeer de moeite waard. ‘De uitkomsten van ons project beïnvloeden de politieke agenda. Je hebt invloed, ook op de richting van toekomstig onderzoek’, zegt Blokhuis. En Müller stelt: ‘We hebben geïnvesteerd in de toekomst, wij bepalen nu voor een belangrijk deel de onderzoeksagenda.’

Breder netwerk
Aan het dierenwelzijnproject dat Blokhuis coördineert, doen 250 onderzoekers van 44 partners uit zeventien verschillende landen mee. Brussel heeft er 15 miljoen euro in geïnvesteerd. ‘Het is gewoon leuk’, zegt Blokhuis, die nog één dag per week voor de Animal Sciences Group (ASG) werkt sinds hij hoogleraar is geworden aan de landbouwuniversiteit in het Zweedse Uppsala. ‘Je leert veel onderzoekers beter kennen, je leert als coördinator met mensen omgaan en conflicten op te lossen. En het project biedt de uitdaging om het dierenwelzijn op Europees niveau te verbeteren. Het aardige van dit werk is dat ik nu direct toegang heb tot de Europese Commissie. Ik heb als coördinator veel contact met de regelgevers op het gebied van dierenwelzijn.’
Blokhuis wordt vaak gevraagd als spreker op internationale podia. ‘Je netwerk verdiept en verbreedt enorm.’ Zo wordt hij door EU-beleidsmedewerkers gevraagd naar zijn mening over de speerpunten van toekomstig onderzoek naar dierenwelzijn. Naast invloed op het beleid heeft Blokhuis dus ook invloed op de speerpunten van toekomstig onderzoek.
Maar ook inhoudelijk levert de onderzoekssamenwerking meerwaarde op. ‘In zo’n groot project zitten veel mensen die verstand hebben van dingen waar ik minder verstand van heb. We zijn bijvoorbeeld bezig met het ontwikkelen van welzijnsmetingen op de boerderij. Welke parameters gebruik je daarvoor bij de verschillende diersoorten? Daar kijkt dan een grote groep onderzoekers naar en die zeggen dan: deze parameters zijn valide voor die bepaalde diercategorie. Om de verschillende parameters te integreren tot een algemene welzijnsuitspraak, heb je statistische technieken nodig waar ik geen verstand van heb. Er komt dus iets uit dat we nooit alleen vanuit ASG hadden kunnen realiseren. Het team is dan meer dan de som der delen.’
De communicatie tussen de 44 partners van Welfare Quality leidt niet tot grote problemen, vertelt Blokhuis. ‘We werken in het Engels, met een internet based communicatiesysteem. In onderling overleg gaat wel veel tijd zitten. En dan heb je natuurlijk verschillen tussen de landen. In Italië zit je twee uur te lunchen, in Nederland zetten we iedereen broodjes voor. Maar het zijn ontwikkelde mensen die de cultuurverschillen in Europa kennen en daar geen probleem van maken. Lastiger vond ik in het begin de samenwerking tussen de bèta’s en de maatschappijwetenschappers. Die hebben echt aan elkaar moeten wennen. Ze hebben een andere taal, een andere denktrant, een andere wijze van publiceren. Als we een onderzoeksvoorstel van een social scientist bespraken, gaven de dierwetenschappers daar soms een andere interpretatie aan, en omgekeerd. Het kostte veel inspanning om voor alle onderzoekers duidelijk te krijgen wat zo’n voorstel dan inhield.’
Michael Müller, hoogleraar bij de sectie Humane voeding, is als lid van de network board en als wetenschapper betrokken bij de Europese Nutrigenomics Organisation (NUGO). Brussel erkende dit netwerk van Europese voedingsonderzoekers in 2003 als center of excellence en stelde 18 miljoen euro beschikbaar om de samenwerking tussen deze onderzoekers te bevorderen. Dat is veel geld, zegt Müller, maar dat geld is nauwelijks aan specifieke onderzoekprojecten besteed.
‘Nutrigenomics was in 2003 een nieuw vakgebied, we gingen een nieuwe tak van wetenschap uitvinden en definiëren.’ Door het menselijke genoom te onderzoeken, moest duidelijk worden op wat voor voeding de mens het beste reageert. ‘We begrijpen nu meer van de werking van de genen onder invloed van voeding’, zegt Müller na vier jaar Europese samenwerking. ‘Die is complexer dan we dachten.’ Vier jaar geleden dacht NUGO-coördinator Bert van Ommen van TNO Voeding aan specifieke voedingsproducten voor bijvoorbeeld mensen met aanleg voor verhoogd cholesterol. ‘We hebben onze ambities bijgesteld. Het individuele dieetadvies op basis van je genenkaart is nog heel ver weg’, zegt Müller nu.

Interne ruis
Veel geld ging de afgelopen jaren op aan de vorming van het netwerk. ‘We waren veel tijd kwijt met door Europa reizen, we hebben veel vergaderd en gebrainstormd’, zegt Müller . ‘We hebben een soort communicatienetwerk, maar het meeste profijt heb je toch als je elkaar face to face spreekt. Dat levert voor de wetenschap op korte termijn misschien weinig op, maar zo leer je elkaar wel kennen als betrouwbare partner. We staan nu op de kaart door jaarlijkse wetenschappelijke meetings, uitstekende pr en goede onderwijsmodules. Ook zijn in NUGO-verband goedkope microarrays en veel belangrijke tools voor bioinformatica ontwikkeld - dingen die je als universiteit alleen nooit voor elkaar zou krijgen.’
Verder hebben vooral de jonge onderzoekers geprofiteerd. ‘We hebben exchange grants, zodat jonge onderzoekers even naar een ander lab kunnen of elders een project kunnen doen. Dat werkt heel goed. We hebben aio-cursussen in Europees verband. Ook heel goed, want zo komen ze te weten waar de peers in Europa zitten.’ Er is nu een ingespeeld team van Europese onderzoekers. Alle leiders in de voedingswetenschap doen mee, zegt Müller. Ook is duidelijk geworden waar de gaten in de kennis zitten, en daarom zijn er nieuwe onderzoeksgroepen bijgekomen. Dit team heeft dus de grootste kans om financiering te krijgen van de EU bij toekomstige onderzoeksvoorstellen, zegt Müller.
Maar voor grensverleggend onderzoek is NUGO iets minder geschikt, vervolgt Müller. ‘In Nederland is voeding een eigenstandige wetenschap, in andere landen soms maar een onderdeel van agrotechnologie of geneeskunde. Verder heb je in veel van dit soort grote projecten te maken met EU-profi’s: mensen die goed zijn in projectvoorstellen schrijven, die weten wat de EU wil horen, die wat geld komen halen en die je nooit meer terugziet. Er zit dus interne ruis binnen zo’n groot project.’
Idealiter moeten de sterke groepen juist samenwerken, vindt Müller. ‘Als je zelf ergens niet goed in bent, zoek je een topgroep elders. Bij voorkeur uit een complementair wetenschapsgebied. De groepen binnen NUGO richten zich allemaal op obesitas en voedingsziekten als kanker en diabetes, de onderzoeksideeën zijn dus niet altijd superorigineel.’

Schipperen
Animal Welfare en NUGO zijn grote onderzoeksprojecten, gefinancierd uit het zesde kaderprogramma (KP6) van de Europese Unie. ‘De EU wilde onderzoek bundelen en stimuleerde zeer grote projecten met tientallen partners, die gemiddeld 14 miljoen euro ontvingen’, vertelt Willem Wolters van Wageningen International Helpdesk. ‘Uit de evaluatie is gebleken dat er teveel energie is gaan zitten in het managen van deze grote consortia.’
Dit jaar is het vervolgprogramma, KP7, van start gegaan. ‘In dit nieuwe programma worden meer kleinere projecten toegekend’, zegt Wolters. ‘Het gemiddelde consortium in KP7 ontvangt zo’n vijf miljoen euro en omvat rond de tien partners.’
Müller is blij met deze aanpassing. ‘Mijn ideaal is ook om minder onderzoeksgroepen in een project te hebben. In de grote projecten krijgt iedereen een halve postdoc en een halve aio; daar kun je niet veel mee. Ik heb liever tien partners die allemaal een volledige aio of postdoc krijgen en dan gaan uitwisselen. Dan wordt het reguliere overleg effectiever omdat het commitment bij iedereen veel hoger is.’
Het blijft wel schipperen, vindt Müller. ‘Je hebt aan de ene kant te maken met de globalisering van de wetenschap. Je kunt het als onderzoeksgroep niet meer alleen trekken, je bent ook afhankelijk van andere groepen. Toch moeten Europese projecten maar een deel van je werk uitmaken, anders ben je alleen maar op reis.’

Re:ageer