Organisatie - 20 januari 2010

‘Er is nog een wereld te winnen'

Aalt Dijkhuizen wil nog een derde termijn het bestuur voorzitten. In die periode zal de overheidsfinanciering teruglopen. Dus moet DLO meer opdrachten binnenhalen en gaan alumni helpen fondsen te werven.

Aalt Dijkhuizen: 'Ik ben nog net zo gemotiveerd als op dag één.'
U bent nu acht jaar bestuursvoorzitter. Wat had u anders willen doen?
‘Ik ben geen terugkijker. Ik leer van het moment en ben verder sterk toekomstgericht. In algemene zin: je schiet altijd tekort in heldere communicatie met de organisatie, zeker als die zo groot is als de onze. Ik heb er heel veel aandacht aan besteed, maar het is altijd te weinig.'
Gaat u voor een nieuwe termijn?
‘Ik heb er lang over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik nog net zo gemotiveerd ben als op dag één. Dat heb ik aangegeven aan de Raad van Toezicht, die zal daarover in januari of februari een besluit nemen. ‘Mensen zeggen wel eens: acht jaar; maar ik zie het als twee periodes van vier jaar. De eerste periode werd opgeslokt door Focus 2006, een grote, heftige reorganisatie waarbij meer dan 750 mensen moesten vertrekken. De tweede termijn stond in het teken van vernieuwing en groei. We kregen meer studenten en meer onderzoeksprojecten, en staan extern weer goed op de kaart. Twee periodes, met een wereld van verschil.'
En wat brengt de derde termijn?
‘Ik voorzie dat het met de overheidsfinanciën lastig gaan worden. De overheid moet het enorme begrotingstekort als gevolg van de financiële crisis terugdringen, en de langetermijntrend is sowieso al dat de overheid steeds een stapje terug doet. Wij zullen daarop in moeten spelen door andere financieringsbronnen aan te boren. Vooral de DLO-instituten zullen nog marktgerichter moeten gaan werken. Ook moeten we internationaal de krachten bundelen, zoals we hebben gedaan met het Franse instituut INRA. Tot slot verwacht ik veel van relatiegerichte fondsenwerving.'
Relatiegerichte fondsenwerving?
‘Ja, dan gaat het om alumni en andere betrokkenen die bereid zijn uit eigen middelen bij te dragen aan baanbrekend onderzoek van ‘hun universiteit'. Rijst bijvoorbeeld is een waterslurpend gewas. Zou het niet mooi zijn om gezamenlijk een soort te ontwikkelen die weinig water verbruikt, voedzaam is, en een hoge productie geeft? Of om een ziektevrije en CO2-neutrale dierlijke productie te ontwikkelen? ‘De Wageningen Ambassadors gaan ons helpen bij deze fondsenwerving. Daan van Doorn is net gestopt als CEO van Vion en wordt voorzitter van het Fundraising Committee. De doelstelling is: vijftien miljoen euro in vijf jaar. Maar wie weet, kan het nog wel meer worden, zeker als we aansprekende onderwerpen weten aan te dragen.'
Nu LNV kort, moet DLO meer uit de markt halen. Is krimpen geen optie?
‘Als we op domeinen zouden zitten die opdrogen, dan zouden we daar inderdaad mee moeten stoppen. Maar kijk naar de wereldproblemen: de klimaatproblematiek, een toenemend tekort aan voedsel, aan water en aan energie. Daar kunnen we met onze kennis een wezenlijke bijdrage aan leveren. Het zou toch doodzonde zijn als we die kennis vanwege een terugtrekkende overheid niet zouden kunnen benutten?'
DLO haalt al veel contractonderzoek binnen.
‘Dat klopt en dat geeft ons een goede basis om op verder te bouwen. Op dit moment gaat het vooral om publiek-private middelen. De uitdaging ligt in, wat ik noem de echte opdrachtenmarkt. Dat kan het bedrijfsleven zijn, maar evenzeer een provincie of een ander ministerie. In die opdrachtenmarkt is nog een wereld te winnen. Zeker ook als we een stap verder gaan in de kennisketen. Nog vaak is het zo dat wij, en ook andere kennisinstellingen, de uitkomsten keurig in een rapport presenteren en dan naar huis gaan. Ik merk bij veel bedrijven maar ook bij ministeries en de EU, dat er behoefte is aan meer hulp bij implementatie. Als je nieuwe kennis echt gaat helpen toepassen, kom je ook nieuwe vragen tegen, wat weer kan leiden tot nieuwe opdrachten. En zo vergroot je de betrokkenheid in de kennisketen. Glastuinbouw in Bleiswijk vind ik daar een goed voorbeeld van. Daar is men zo'n stap verder gegaan; die hebben nu meer opdrachten dan ooit. Heel knap.'
Willen onderzoekers dat ook?
‘Een nauwe betrokkenheid bij de daadwerkelijke toepassing vraagt specifieke competenties. Je kunt niet van één en dezelfde persoon verwachten dat-ie enerzijds een Spinoza-premie binnenhaalt en aan de andere kant met boeren en tuinders om tafel zit, en omgekeerd. Dat hoeft ook niet. In principe hebben we al die verschillende competenties in huis.'
Hoe voorkom je dat het routinewerk wordt?
‘Ik geloof niet dat dat nodig is. Iets één keer ontwikkelen en dan tien keer precies hetzelfde uitrollen, komt niet voor. Ook de toepassing in de praktijk is altijd anders, en verschilt per sector, per bedrijf of per land. De koppeling met de universiteit helpt daarbij ook: vernieuwingen in het fundamenteel onderzoek leiden als het goed is tot vernieuwingen in het toegepast onderzoek.'

Re:ageer