Wetenschap - 1 januari 1970

Entomoloog Van Lenteren vindt dat onderzoekers meer speelruimte moeten

Entomoloog Van Lenteren vindt dat onderzoekers meer speelruimte moeten

Entomoloog Van Lenteren vindt dat onderzoekers meer speelruimte moeten

krijgen

,,Het heeft geen zin mensen verplicht aan hetzelfde breiwerkje te zetten’’

Hij is een van de wegbereiders van het gebruik van biologische bestrijding
in Nederlandse kassen. Daar beschermen sluipwespen de tomaten nu tegen
plagen als de witte vlieg. De grootscheepse reorganisaties van zijn
onderzoeksgroep hebben entomoloog prof. Joop van Lenteren diep geraakt en –
gelukkig - weer in de armen van het handwerk, het onderzoek gedreven. Nu
gaat hij dingen doen die hij echt leuk vindt: productiesystemen ontwikkelen
in het open veld die plaagbestendig zijn.

Haast geruisloos heeft de hoogleraar entomologie Van Lenteren plaatsgemaakt
voor zijn opvolger prof. Marcel Dicke. Van Lenteren is een insectenkundige
met een groot internationaal aanzien en werd in de negentiger jaren door de
universiteit graag geëtaleerd als een van haar paradepaardjes. Zijn
baanbrekende onderzoek aan biologische bestrijding in kassen, waardoor
sluipwespen tegenwoordig de rol hebben overgenomen van chemische
bestrijdingsmiddelen, stond zelfs model voor de postzegel die werd
uitgebracht in verband met het 75-jarig bestaan van de universiteit in
1993. De twee zware reorganisaties die zijn onderzoeksgroep kreeg opgelegd,
werden hem echter te veel. ,,De eerste keer kon ik nog wel enig begrip
opbrengen, maar de tweede keer brak er iets bij me. Je kunt geen beroep
blijven doen op de loyaliteit van je medewerkers als ze bij bosjes tegelijk
weggestuurd dreigen te worden. Ik zou onder andere twee jonge
toponderzoekers moeten ontslaan. Ik ben toen naar Speelman gegaan en
achterop een bierviltje rekenden we uit hoeveel we tekort kwamen: een
dramatisch bedrag. Een van de oplossingen om jong personeel in dienst te
houden was dat ik eerder terug zou treden als leerstoelhouder. Daar heeft
Speelman mee ingestemd en gelukkig was er ook niemand binnen de groep die
hier bezwaar had tegen mijn opvolging door Marcel Dicke. Daardoor hebben we
de overdracht zo soepel kunnen regelen. Voor mij is het belangrijk dat ik
hier nog zeven jaar werk kan doen dat ik echt leuk vind. Ik heb net een
boek geschreven over de kwaliteitscontrole van natuurlijke vijanden in
biologische bestrijding en ben bij verschillende onderzoeksprojecten
betrokken over het voorkomen van ziekten en plagen door landbouwgebieden,
op basis van ecologische kennis, anders in te richten. Ik lees nu weer
boeken, publiceer veel meer en als ik een idee heb, kan ik me er weer
ouderwets in verdiepen. Heerlijk!’’

Valsspelers
De toekomst van de entomologiegroep lijkt weer rooskleurig. Zeker nu Dicke
begin dit jaar te horen kreeg dat NWO zijn onderzoek naar de
geurinteracties tussen planten en belagers voor vijf jaar ondersteunt met
een zogeheten VICI-subsidie van 1,6 miljoen euro. Van Lenteren: ,,Het is
echt een droomstart en zonder meer verdiend. Daar kunnen we alleen maar
ontzettend blij mee zijn. We zijn er bij Entomologie in geslaagd om nog
steeds zo’n zeventig tot tachtig mensen aan het werk te houden, terwijl het
aandeel vaste staf aanzienlijk kleiner is geworden. Er zijn in het verleden
momenten geweest dat ik het niet meer zag zitten, je wordt als hoogleraar
niet getraind in crisismanagement, maar gelukkig heeft het team er altijd
de schouders onder gezet en overleefden we’’, aldus Van Lenteren. Het was
zijn vertrouwen in de staf bij Entomologie die hem in 1997 – midden in de
reorganisatieperikelen – deden besluiten zijn gespaarde ATV-dagen te
gebruiken voor een verblijf van vier maanden bij de universiteit van
Perugia in Italië. In de relatieve rust daar vond hij de tijd om een
speciale structuur op de legboor van een sluipwesp te ontdekken, waarvan
hij het bestaan reeds in 1972 vermoedde. ,,Het gaf me een kick om weer met
het echte handwerk bezig te zijn en heeft voor mij de constante
reorganisatieperikelen in Wageningen in een geheel ander perspectief
geplaatst.’’
Het zijn vooral de enorme bureaucratisering en de jaarlijkse koehandel om
geld en personeel die Van Lenteren zijn gaan tegenstaan. Ook plaatst hij
kanttekeningen bij de samenwerking tussen universiteit, instituten en het
praktijkonderzoek binnen kenniseenheden. ,,De uitstekende en vrijwillige
samenwerking die er was, is tien jaar geleden afgebroken en ontmoedigd door
muren van geheimhouding en geld op te trekken en nu wordt zij weer
opgelegd. Als je de teugels loslaat krijg je vanzelf samenwerking als alle
partijen er voordeel bij hebben’’, meent Van Lenteren. Hij memoreert dat
hij al met Naaldwijk en Wageningse veredelaars samenwerkte op het gebied
van biologische bestrijding toen hij nog werkzaam was bij de Leidse
universiteit. In de Werkgroep Geïntegreerde Bestrijding van Plagen werkte
van 1960 tot 1985 tal van onderzoekers van landbouwkundige instituten,
proefstations, de Plantenziektekundige Dienst, TNO-instituten en van de
universiteiten van Amsterdam, Groningen, Leiden, Nijmegen, Utrecht en
Wageningen samen. ,,Het heeft geen zin mensen verplicht aan hetzelfde
breiwerkje te zetten. Laat onderzoekers gewoon hun spel spelen. Er kunnen
natuurlijk altijd een paar valsspelers bij zijn, die gegevens van anderen
misbruiken, maar daardoor vallen hechte groepen nooit uiteen’’, meent Van
Lenteren.

Schouderklopje
Het belangrijkste probleem dat Van Lenteren op bestuurlijk niveau
signaleert is het ontbreken van begrip voor het werk van onderzoekers. ,,De
bestuurders hebben geen idee wat de onderzoekers willen. Als onderzoeker
krijg je de indruk dat er alleen maar meer ellende over je komt. Je wordt
doodgegooid met vragenlijsten en commissies. Blijkbaar is iedereen de weg
kwijt en ontbreekt het aan eigen goede ideeën. Zowel centraal als
decentraal hebben ze niet in de gaten dat ze ons vaak van het echte werk
afhouden of hoe frustrerend dat is. In wetenschappelijk onderzoek moet
ruimte zijn om soms heel ongeorganiseerd – eigenlijk vrij anarchistisch –
bezig te zijn. Als dat niet meer mag, dood je de creativiteit. Het zijn de
onderzoekers die de naam van Wageningen, en de kwaliteit van het onderwijs
en onderzoek bepalen. Nu krijg je vaak het gevoel dat je de laatste bent
die het systeem draaiende mag houden. Een beetje enthousiasme of een
schouderklopje zou op zijn plaats zijn, maar nee. De harde kern van
wetenschappers wordt veel te veel in de steek gelaten.’’
Van Lenteren ziet de vorming van de kenniseenheden als een typerend
voorbeeld. ,,Bij het departement hadden we zeventien personen die zich met
het beheer bezighielden, nu wordt dat voor de hele kenniseenheid bijna
tweehonderd. We hebben als hoogleraren nog gevraagd welk deel hiervan op
rekening zal komen van de universiteit, maar de toezegging dat we daar over
mee mochten praten is nooit gerealiseerd. Het bestuurscentrum is wel
kleiner geworden, maar die zogenaamde ‘positieve decentralisatie’ betekende
voor de leerstoelen slechts het delegeren van ellende. Nu is vaak niet
duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt en word je van het kastje naar
de muur gestuurd. Dan denk je dat je alles voor elkaar hebt, maar dan hoor
je een tijdje later – na eindeloos gemail en gebel – dat je toch naar het
eerder toegezegde geld kunt fluiten. De laatste tien jaar ontwikkelde zich
bij mij een chronisch wantrouwen, terwijk ik de eerste tien jaar het gevoel
had dat je met goede argumenten in Wageningen veel kon bereiken’’, aldus
Van Lenteren. Hij tekent hierbij wel aan dat er gelukkig binnen de
organisatie nog wel een aantal mensen te vinden is die je snel, goed en
gemotiveerd helpen als er iets geregeld moet worden. ,,Bij de Universiteit
in Riverside, Californië hebben onderzoekers, die het net zo zat waren als
wij in Wageningen, jaren geleden maar eens besloten een kwaliteitscontrole
uit te voeren van de administratieve dienst om te bepalen wie er daar kon
vertrekken bij een nieuwe bezuiniging, in plaats van andersom. Het zou een
aardig idee zijn om zoiets hier ook eens te doen. Wetenschappers worden
voortdurend door visitatiecommissies op hun kwaliteit beoordeeld, maar
uitstekende kwaliteit garandeert hier geen enkele veiligheid, terwijl
kwaliteit toch de basis zou moeten zijn

Re:ageer