Organisatie - 13 maart 2008

Elke dag een andere route

‘Als je in Afghanistan bent geweest, word je meteen als expert gezien. Maar ik denk dat het arrogant is om te zeggen dat ik de situatie goed ken’, benadrukt Wim Honkoop aan het begin van het gesprek. Vorig jaar deed hij drie maanden onderzoek naar de problemen van vrouwelijke ondernemers in Kabul. Onlangs heeft hij zijn studie Regional Development Innovation aan Van Hall Larenstein in Wageningen afgerond. Een terugblik op zijn ervaringen in Afghanistan.

123_achtergrond0.jpg
123_achtergrond0.jpg

Foto: Wim Honkoop

‘Mijn familie stond niet direct te juichen, toen ik vertelde dat ik stage wilde lopen in Afghanistan. Maar ze waren er niet tegen, gelukkig. Toen ik naar Kabul ging, eind juli, werden net die Koreaanse ontwikkelingswerkers gekidnapt. Normaal gesproken ben ik vrij relaxed. Maar de eerste week liep ik toch wel met wantrouwen rond. Na een week verdween dat en toen ik meer openstond voor de mensen daar, maakte ik ook meer contact. Als buitenlander moet je natuurlijk wel voorzorgsmaatregelen nemen. Er zijn veel buitenlanders daar die hun huis nauwelijks uitkomen. Ik was een van de weinigen die zich op straat begaf. Nu zat ik wel heel erg onder de radar; ik was de enige buitenlander die bij het Afghan Women’s Network werkte. Via een kennis kreeg ik tips van het Afghan NGO Security Office. Zo nam ik iedere keer wisselende routes naar mijn werk. Ook wisselde ik de vorm van transport af: lopend, met een gedeelde taxi en met een privétaxi. En als het donker was kon je beter helemaal niet op straat komen. Kabul is relatief veilig. Er zijn wel bomaanslagen, ik heb ze zelfs gehoord, maar die zijn op de politie gericht. Net als de meeste bermbommen op doorgaande wegen in het platteland. De overheidsdiensten zijn het doelwit. De politie sterft bij bosjes. Dat is de realiteit van Afghanistan.
Mijn interesse voor de regio is ontstaan tijdens een stage in Pakistan in mijn derde jaar op Van Hall Larenstein. Toen zat ik een half jaar in de North-West Frontier Province. Daardoor leek Afghanistan niet meer zo ver weg. Voor mijn afstudeeronderzoek legde ik in Nederland contact met iemand van het Afghan Women’s Network (AWN). Bij dat netwerk zijn allerlei vrouwenorganisaties aangesloten die trainingen geven, gericht op ondernemersschap. Daarbij moet je vooral denken aan dingen als tapijt weven, naaien en handvaardigheid. Mijn afstudeeronderzoek voor het AWN richtte zich op de problemen en belemmeringen van vrouwelijke ondernemers in Kabul.
Hoofddoek herschikken Het was niet echt een probleem dat ik man ben. Vrouwelijke ondernemers komen voor zaken ook in contact met mannen en ik had een vrouwelijke tolk. Toch kostte het op het kantoor van het AWN in Kabul tijd om het vertrouwen te winnen van de medewerksters. Ze zaten in het begin telkens hun hoofddoek te herschikken en korte gesprekken aanknopen lukte pas na een paar weken. Maar uiteindelijk was het misschien wel handig dat ik man ben. Mannen kunnen makkelijker gaan en staan, contact leggen met Afghaanse mannen en een huis bezoeken. Vrouwelijke ondernemers raken in Afghanistan eigenlijk hun eer een beetje kwijt. Ze komen uit families die vrij progressief zijn, of zijn weduwe en hebben geen familie meer. Het is een groot taboe om alleen mannen te ontvangen. Daarom hebben vrouwen die in contact komen met mannelijke zakenrelaties een kantoor met een kok en schoonmaaksters nodig en een auto met chauffeur. Dan is het relatief veilig.
De contacten met de onderneemsters en de medewerksters van AWN bleven zuiver professioneel. Met de vertaalster ging ik vaak samen naar de interviews. Door taxichauffeurs en mensen op straat werd vaak vreemd gereageerd op zo’n jong, modern gekleed meisje in het gezelschap van een buitenlander. De tolk nodigde me ook bij haar thuis uit. Dat heb ik eerst afgehouden. Je weet niet wat de gevolgen voor haar kunnen zijn, wat de buurt denkt enzovoorts. Dat is best lastig, om te zoeken naar wat wel en niet kan. Uiteindelijk ben ik een keer meegegaan toen we er in de buurt waren. Ze had moderne ouders. Maar toen haar vader begon te praten, vertaalde haar broer. En de vrouwen gingen een beetje achteraf zitten. Op straat loopt bijna de helft van de vrouwen in boerka, die slaan ze dan soms bij winkels wel wat achterover om iets te bekijken. De andere helft draagt traditionele moslimkleding. Slechts een klein deel draagt moderne kleding, in combinatie met een hoofddoekje. Vrouwen gaan zelden alleen de straat op, maar altijd in groepjes of met een man.
Stoffig Er zijn veel mensen op straat en er rijden zowel hele nieuwe auto’s als hele oude. Het is er stoffig en droog, het stof komt van over de bergen. De hoofdstraten zijn geasfalteerd, maar de rest bestaat uit zandwegen. Mannen in oranje overalls maken de open riolen schoon. Al het vuil wordt op straat gegooid. Er zijn moderne wijken, maar ook arme en meer traditionele wijken, met huizen die van modder zijn gebouwd. Een van de grootste problemen in Kabul is de uitval van elektriciteit. In de zomer is er iedere dag een paar uur stroom, in de winter slechts één keer in de paar dagen. Veel Afghanen zijn achterdochtig geworden, dus het was best moeilijk om contact met hen te krijgen. Met Ahman, een Duitssprekende taxichauffeur, bouwde ik een goede band op. Ik heb regelmatig bij hem thuis gegeten en mocht soms in zijn taxi rijden.
Ook leerde hij me vliegeren, dat is echt iets uit de Afghaanse cultuur. We gingen soms naar een grote heuvel waar op zaterdag honderden mensen aan het vliegeren waren. Er werden ook wedstrijden gehouden, net als in het boek De Vliegeraar van Khaled Hosseini. Bij die battles probeert iedereen elkaars draad af te snijden. Je moest je handen intapen, want het draad is vlijmscherp. Vliegeren is ontzettend moeilijk, maar echt leuk. Soms stond ik alleen op het dak te oefenen. De buurtkinderen keken dan toe hoe die Westerse sukkel stond te tobben met vliegeren. Ik raakte ook bevriend met een paar Afghanen die voor een Pakistaanse ontwikkelingsorganisatie werken. Met hen ging ik ook vliegeren en we aten vaak samen. Eén keer hebben we een uitstapje gemaakt naar Bamyan, waar de Taliban de eeuwenoude boeddha’s in de rotswanden hebben opgeblazen.
Niet antiwesters Afghanistan ligt in een boeiende regio met een veelbewogen geschiedenis. Het is natuurlijk een hotspot in het nieuws en behoort tot de armere gebieden in de wereld. Bovendien wordt er vanuit het Westen negatief naar moslims gekeken en andersom. Ik geloof dat het anders kan. We moeten de ontmoeting zoeken, we hoeven het niet per se overal over eens te zijn. De mensen die ik daar sprak waren over het algemeen niet antiwesters. Maar ik sprak natuurlijk wel met mensen die boven de armoedegrens leven en vaak baat hebben bij de veranderingen. Mensen die bezig zijn om te overleven, zijn er weinig mee bezig of zijn veel negatiever. Er is trouwens in Afghanistan wel een algeheel gevoel van teleurstelling. Toen de Taliban verdween, dacht iedereen dat het nu wel snel veel beter zou worden. Maar de ontwikkelingen gaan langzaam en zelfs achteruit de laatste twee jaar.
Op dit moment ben ik een bedrijfje aan het opzetten dat handgemaakte geitenleren tassen uit Afghanstan importeert. Ik zou graag in Afghanistan willen werken. Het liefst wil ik helpen om op een goede manier bedrijven te beginnen, zodat mensen uit hun hulpverslaving komen. Het land zit al meer dan twintig jaar in een noodsituatie. Sommige mensen gaan hulp verwachten. Dan wordt hun zelfbeeld aangetast en worden de mensen fatalistisch en afwachtend. Dat verandert pas wanneer het conflict voorbij is en mensen weer zelf aan de slag gaan.’

Re:ageer