Wetenschap - 1 januari 1970

Elk proefdier een eigen dagboek

De laboranten geven de proefdieren eten en speelgoed, houden een welzijnsdagboek voor ze bij, en voeren ze toch af en toe een stukje oester dat dodelijk giftig kan zijn. Ze dragen bij aan belangrijke wetenschappelijke vooruitgang, en moeten hun werk toch vaak verdedigen. De dagelijkse praktijk op het Centrum voor Kleine Proefdieren is paradoxaal. Manager Frits van der Hoeven blijft er nuchter onder.

Manager Frits van der Hoeven van het Centrum voor Kleine Proefdieren met een rat. / foto Guy Ackermans

Het Centrum voor Kleine Proefdieren van Wageningen UR, gevestigd in de kelders van het Biotechnion, heeft in de jaren tachtig wel eens te maken gehad met dierenactivisten. Manager Frits van der Hoeven werkt er nu vier jaar en heeft deze perikelen dus niet van dichtbij meegemaakt, maar wil er wel iets over kwijt.
'In die tijd is de actiegroep van Volkert van der G. - zonder Volkert zelf trouwens - hier een keer langs geweest, al hebben ze zich toen niet misdragen. Gelukkig waren het in die tijd geen Engelse toestanden. Er werden geen ruiten ingegooid of iets dergelijks. Maar het was geen rustige periode. Zelf ben ik voor openheid. We moeten niet geheimzinnig doen over dierproeven. Want als je dat wel zou doen, kan je juist protest verwachten.'
Van der Hoeven geeft een kleine rondleiding. Uitgerust met labjas en beschermende 'sokken' over de schoenen om eventuele besmetting te voorkomen, lopen we door cleane, steriele gangen. In één van de proefdierruimtes staan een stuk of vijftien kooitjes waarin ratten schijnbaar gemoedelijk een beetje rondlopen en wat te zitten knagen. Deze dieren dienen in feite als voorproevers. Ze krijgen stukjes mossel of oester te eten die gecontroleerd moeten worden op diarrhetic shellfish poison (DSP), en groep giftige stoffen die afkomstig zijn van fytoplankton, een belangrijke voedselbron van schelpdieren.

Voedselveiligheid
Dit routineonderzoek wordt gedaan in het kader van het sanitaire onderzoeksprogramma voor de schelpdiervisserij in de Noordzee en Waddenzee. De ratten hoeven weliswaar niet langer dan een week achtereen voorproever te zijn, wel kunnen ze van hun ‘werk’ doodziek worden. Van der Hoeven erkent dit en blijft er koel onder. 'De dierproeven zijn nu eenmaal nodig omdat er helaas nog geen andere, door de EU geaccepteerde methode is om deze specifieke toxines op te sporen. De proeven zijn belangrijk voor onze voedselveiligheid. Zonodig wordt de schelpdiervisserij in bepaalde gebieden stilgelegd.'
Als er toxische stoffen in de schelpdieren zitten, kunnen de onderzoekers dit zien omdat de ratten hiervan diarree krijgen. Tot nu toe waren de testen echter steeds negatief. Rikilt voert het onderzoek uit in samenwerking met Imares.
Gelet op het dierenwelzijn zijn de proeven in Wageningen zo slecht nog niet, zegt Van der Hoeven: 'Buiten Nederland, zoals in Frankrijk, wordt een andere, toch wat minder diervriendelijke methode toegepast. Ratten krijgen daar een extract van schelpdieren ingespoten. Eventuele giftige stoffen hebben dan een veel sterkere uitwerking en eerder dodelijke gevolgen.'
Het zit er in Nederland zelfs in dat de rattentest helemaal afgeschaft kan worden. Imares is trekker van het EU-project Biotox. Dit is een project dat alternatieve chemische methoden ontwikkelt voor het analyseren van de DSP-toxinen. Zodra de methoden door de EU worden geaccepteerd, naar verwachting binnen een aantal jaren, zal Nederland gebruik mogen maken van de nieuwe testen.
De rattentest is op dit moment onontkoombaar, maar het ligt wel voor de hand om in de tussentijd met praktische maatregelen iets te doen aan het dierenwelzijn. Dit beaamt ook proefdierdeskundige drs. Rob Steenmans. Hij is van huis uit dierenarts en adviseert de Dierexperimentencommissie (DEC) van Wageningen UR. Deze commissie beoordeelt alle voorstellen voor dierproeven. Zo goed als het kan, wordt geprobeerd het leven van de dieren iets comfortabeler te maken.

Speelgoed
Van der Hoeven laat het 'speelgoed' zien dat de ratten en muizen in hun kooi hebben liggen: tissues en plastic cilindertjes. Ze snuffelen en knagen er een beetje aan. Analyses van de urine laten zien dat de dieren iets minder gestrest raken als ze dit speelgoed hebben. Niettemin zitten ze in tamelijk kleine kooitjes, zo'n twintig bij dertig centimeter. Grotere kooien zitten er vooralsnog niet in, verzucht Van der Hoeven. 'De dieren moeten er dagelijks in en uit voor de nodige proeven. Als je de kooi veel groter maakt, is dit praktisch niet handig voor de laboranten.'
De knaagdieren lijkt het niet erg te deren. Met z'n tweetjes of drietjes zitten ze in hun hok zonder veel misbaar te maken. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat voornamelijk wistarratten worden gebruikt. Deze ratten zijn speciaal gefokt op hun rustige gedrag. Ze blijven vrijwel altijd meegaand en handelbaar. Een van de laboranten pakt een rat op. 'Ze hebben mij nog nooit gebeten.'
Proeven met muizen en ratten roepen over het algemeen veel minder weerstand op dan bijvoorbeeld proeven met apen, die overigens niet in Wageningen worden gehouden. Maar volgens de huidige regels is er eigenlijk geen onderscheid, merkt Steenmans op. 'We hadden in Nederland eerst wel een wet op dierproeven die stelde dat honden, katten, paarden en primaten zoals chimpansees beter niet gebruikt kunnen worden voor dierproeven als men ook andere dieren kan inzetten. Maar in 1996 is deze wet afgeschaft. Hier ben ik het wel mee eens. Al heb ik er gevoelsmatig wel moeite om een jong visje gelijk te stellen aan bijvoorbeeld een paard.'
Het aantal dierproeven aan Wageningen UR schommelt van jaar tot jaar, van tienduizend tot ongeveer twintigduizend. Steenmans: 'Het heeft te maken met het type onderzoek dat hier gebeurt. Bij welzijnsstudies bij vissen bijvoorbeeld zijn grote aantallen dieren nodig en als daarvan meerdere projecten lopen, kan het proefdiergebruik stijgen. Bij uitbraak van een besmettelijke dierziekte zoals vogelgriep neemt het gebruik van kippen bijvoorbeeld weer af.'

Transgene muizen
In de jaren zeventig was het jaarlijkse aantal dierproeven in Nederland twee keer zo hoog als nu, weet Steenmans. Het is afgenomen van anderhalf miljoen naar zo’n zeshonderdduizend proeven per jaar. Dit heeft vooral te maken met de Wet op de dierproeven die in 1977 is ingevoerd en die gaandeweg is aangescherpt. In 1997 werden bijvoorbeeld dierproeven voor cosmetica verboden. Alle andere dierproeven moeten worden geregistreerd. In 1986 zijn verder dierexperimentencommissies ingesteld die een brede ethische toetsing uitvoeren. En ten slotte zijn er ook veel alternatieven voor dierproeven gekomen zoals het opkweken van dierlijke cellen, computersimulaties van biologische processen en het gebruik van kunststof nepdieren bij practica.
'We zien de laatste jaren echter wel een toename van proeven met genetisch gemodificeerde muizen’, zegt Van der Hoeven. Hij is blij dat er geen genetische modificatie van dieren plaatsvindt in Wageningen omdat daar altijd veel discussie over zal zijn. 'Voor genetische modificatie heb je een veel uitgebreider lab nodig, zoals aan de universiteiten van Nijmegen en Utrecht.' Wel vindt hij de proeven gerechtvaardigd. 'Transgene muizen bijvoorbeeld dienen medisch onderzoek naar ernstige ziekten als kanker.'
Wageningse studenten hebben maar in beperkte mate te maken met dierproeven. Steenmans: ‘Ze mogen nooit zelf dierproeven uitvoeren. Studenten van de richtingen biologie, veeteelt en voedingswetenschappen kunnen wel de cursus proefdierkunde volgen, die ze na hun afstuderen de bevoegdheid geeft om dierproeven op te zetten en uit te voeren. Al zullen biotechnici de meeste handelingen doen zoals het geven van injecties. Deze technici kunnen ook beter inschatten of dieren pijn lijden en beter uit een proef gehaald kunnen worden, in overleg met de onderzoeker en proefdierdeskundige. Wel kunnen studenten bijvoorbeeld het dagelijkse dieet voorbereiden voor hun dieren.'
Steenmans zegt niet te kunnen aangeven welke dieren het meeste lijden van dierproeven aan Wageningen UR, of bij welke proeven het welzijn van proefdieren het meest in geding komt. Hebben de konijnen die worden ingezet voor immunologisch onderzoek een zwaarder leven dan de ratten die af en toe een gevaarlijk mosseltje moeten eten? Hij weet het niet. Wel zegt de proefdierdeskundige: 'We houden goed in de gaten hoe het de dieren vergaat. Voor elk dier wordt ook een welzijnsdagboek bijgehouden.'
Steenmans adviseert om dierproeven in ieder geval goed voor te bereiden en zo nauwkeurig mogelijk te werken. 'Hoe nauwkeuriger je werkt, hoe beter. Anders heb je kans dat je geen antwoord krijgt op je onderzoeksvraag en onnodig dierenleed veroorzaakt. Je moet dan eenzelfde proef misschien twee keer doen. Ook de statistische onderbouwing van een proef is belangrijk. Als een onderzoeker driehonderd muizen nodig denkt te hebben, beginnen onze wenkbrauwen wel te fronsen.'

Hugo Bouter

Re:ageer