Wetenschap - 1 oktober 2009

Eilandhoppen levert wilde prei op

Nederlandse veredelaars willen hun preirassen beter bestand maken tegen ziekten en plagen. Een succesvolle expeditie van genenbank CGN langs Griekse eilanden leverde ruim honderd verschillende wilde preiplanten op.

Geen zee te hoog voor Elias Polenis, Griekse collega van Chris Kik, die een wilde preisoort op een onbewoond eiland heeft gezien.
Dr. Chris Kik ging afgelopen zomer op expeditie naar Griekenland, waar de voorouders van onze huidige prei vandaan komen. Zijn zoektocht naar wilde prei voerde langs plekken die niet misstaan in vakantiefolders. Kik bezocht de eilanden Karpathos, Kreta, Andros, Kythera en Lesbos en schuimde de kusten van de Peloponessos af. Hij klauterde op steile berghellingen om wilde prei te vinden en bezocht kleine onbewoonde eilandjes voor de kust die alleen zwemmend te bereiken zijn.
Kik werkt bij het Centrum voor Genetische bronnen Nederland (CGN) in Wageningen. De expeditie was hard nodig, zegt hij, want er zijn erg weinig ‘accessies’ van wilde prei beschikbaar in de genenbanken. Een accessie is een herkomst of vindplaats – hoe diverser de vindplaatsen, des te groter de genetische variatie van de planten. Van de wilde preisoort Allium ampeloprasum zijn 98 accessies beschikbaar in genenbanken. Van de wilde verwant A. bourgeaui is er wereldwijd maar één accessie, maar het kan nog erger: de in het wild groeiende preisoort Allium commutatum is helemaal niet verkrijgbaar.
Toch hebben veredelaars deze wilde soorten nodig om nuttige eigenschappen in te kruisen in preisoorten die wij in de winkel kopen. ‘Met de huidige beperkte genetische variatie kunnen veredelaars niet uit de voeten’, zegt Kik.
In een maand tijd vond hij samen met Griekse collega’s wilde prei op 103 verschillende locaties. Van Allium ampeloprasum vond hij 63 accessies en van de zeldzame A. bourgeaui en A. commutatum nam hij respectievelijk 21 en 19 verschillende exemplaren mee naar huis. Hij spreekt van ‘een behoorlijk succes’.
De wilde verwanten worden de komende jaren beoordeeld op het CGN en bij de veredelingsbedrijven. ‘Zij gaan de wilde preisoorten opkweken en tests doen, wij verwerken de informatie’, zegt Kik. De bedrijven zoeken bijvoorbeeld naar genen die de prei bestand maken tegen ziekten en plagen. Het verbeteren van de resistentie daartegen is van groot belang, omdat steeds meer bestrijdingsmiddelen in de groenteteelt worden verboden.
Ook denkt Kik dat de wilde soorten beter bestand zijn tegen droogte en zout. In het licht van de klimaatverandering zijn dat gewilde eigenschappen. ‘Op de Griekse eilanden valt niet veel regen. Dus ik verwacht dat de op steile rotswanden voorkomende A. bourgeaui behoorlijk droogtetolerant is. De kleine eilandjes voor de kust zijn vaak niet hoger dan twee meter. Ze raken geregeld overstroomd met zout water. Wellicht heeft A. commutatum, de preisoort die hier voorkomt, zouttolerantie ontwikkeld.’ De kunst voor de veredelaars is de genen te vinden die verantwoordelijk zijn voor deze eigenschappen. En om op basis hiervan nieuwe rassen te maken. De ontwikkeling van betere preirassen duurt al gauw tien jaar, zegt Kik.  
 

Re:ageer