Organisatie - 15 maart 2007

Eigen onderzoek eerst

In Wageningen heerst grote tevredenheid over de onderzoekscholen. Ze hebben de kwaliteit van het onderzoek vergroot en de opleiding van promovendi verbeterd. Een succesformule dus, die hier eigenlijk niet ter discussie staat. De enige dreiging komt van buiten. Enkele andere universiteiten dwingen hun onderzoekers uit onderzoekscholen te stappen en te kiezen voor eigen graduate schools.

35_achtergrond0.jpg
‘We hebben de onderzoekscholen in Wageningen leren waarderden en zo hier en daar zijn we er zelfs trots op. Maar landelijk liggen ze helaas onder vuur. Een aantal universiteiten kiest voor het concurrentiemodel. Zo graven ze hun eigen graf.’ Universiteitshoogleraar prof. Rudy Rabbinge windt er geen doekjes om tijdens het debat op woensdag 7 maart, ter gelegenheid van zijn vertrek als decaan van de Wageningse onderzoekscholen. ‘Het is funest als we in Nederland elkaar vliegen gaan afvangen. Als iedere Nederlandse universiteit straks met een eigen verzameling graduate schools komt aanzetten krijg je internationaal echt geen poot aan de grond.’
Het paneldebat over de toekomst en vijftien jaar verdiensten van onderzoekscholen was een verlaat cadeau voor Rabbinge die vorig jaar het decanaat van Wageningen Graduate Schools heeft overgedragen aan voedingshoogleraar prof. Frans Kok. Volgens Kok is het mede aan Rabbinge te danken dat Wageningen de onderzoekscholen is gaan ‘tolereren, accepteren en later ook waarderen’.
Het is Jo Ritzen, de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die aan het begin van de jaren negentig onderzoekscholen introduceert in het wetenschappelijk onderwijs. Het idee is ontleend aan de Angelsaksische Graduate school, maar in Nederland krijgt het een iets andere invulling. De onderzoekscholen zijn vooral bedoeld om de assistent in opleiding (aio) ook daadwerkelijk aan een opleiding te helpen. Het aio-schap is in 1986 ingesteld om op een goedkope manier het aantal promoties in Nederland op te voeren. De aio’s krijgen met name in de eerste jaren van het vierjarige promotietraject een lagere beloning omdat ze immers nog ‘in opleiding’ zijn. In de praktijk is er echter nauwelijks sprake van een opleiding. De onderzoekscholen moeten hier verandering in brengen.

Grenzen overschrijden
Sterke onderzoeksgroepen die samen een coherent onderzoek- en onderwijsprogramma opzetten en als onderzoekschool erkend worden door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW), krijgen veel geld. Al spoedig gonst het daarom in universitair Nederland van de activiteit en begint het grote kwartetten. Onderzoekscholen mogen immers de voorheen bijna heilige grenzen tussen faculteiten en universiteiten overschrijden. De kans op erkenning wordt zelfs aanmerkelijk groter als een school alle sterke vakbroeders in zich weet te verenigingen.
Bij de eerste ronde in 1992 worden twintig onderzoekscholen erkend. En in latere rondes groeit dit aantal tot circa honderd. Bijna tweederde hiervan bestaat uit interuniversitaire onderzoekscholen. De rest betreft bundeling van onderzoeksgroepen binnen één universiteit. Ook in Wageningen komen deze twee smaken voor: nationaal en lokaal (zie kader). Daarnaast is Wageningen hofleverancier van SENSE en CERES, waarvoor het penvoerderschap elders ligt.
Tijdens de paneldiscussie zijn de meeste aanwezigen het er over eens dat in ieder geval de Wageningse onderzoekscholen er in vijftien jaar in zijn geslaagd uit te groeien tot centra van hoogwaardig onderzoek. Bovendien hebben ze volgens de aanwezigen de opleiding van promovendi aanzienlijk verbeterd. Misschien niet zulke verrassende conclusies, aangezien het publiek vooral bestaat uit (voormalige) bestuurders van die onderzoekscholen. De bevinding wordt echter ook ondersteund door buitenstaanders.
‘Ik zou graag zeggen: dit is zwaar overtrokken. Maar dat is niet zo’, zegt dr. Hans Sonneveld, directeur van de Amsterdam School for Social Science Research en betrokken bij onderzoek naar promotierendementen. ‘De afgelopen jaren gingen onderzoekscholen door hoge zeeën. Iedereen was in verwarring en mijn advies was dan: ga eens kijken in Wageningen. Daar ligt het schip stabiel op koers.’

Rode kaarten
De toetsing op kwaliteit van docenten en studenten, die bij het instellen van de onderzoekscholen is ingevoerd, heeft effect gehad. Hoewel er op de positie van het vaste personeel nog de nodige kritiek is. ‘We geven elkaar wel gele en rode kaarten, maar er gebeurt eigenlijk niks’, klaagt dierecoloog prof. Herbert Prins. ‘Daar moet de komende vijftien jaar iets aan veranderen.’ Ook de Amsterdamse aio drs. Michiel Heijdra, voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland, constateert dat de kwaliteitstoetsing vaak te weinig gevolgen heeft voor de vaste staf. ‘Het middenkader dat binnen is, blijft binnen. Jonge kwaliteit vertrekt gefrustreerd naar het buitenland.’
Kok constateert echter een flinke ‘schoonmaak door zelfreiniging’ en Rabbinge schat dat in Wageningen toch zo’n ‘twintig tot dertig procent van de staf via gele en rode kaarten is verdwenen’. Toch pleit ook hij voor nog meer doorstroming. ‘Stel hoogleraren voor vijf jaar aan. Als je geen dynamiek in de top hebt, gaat het daaronder stagneren.’
Ook over de opleiding van promovendi in Wageningen zijn er ondanks de verbeteringen nog wat klachten. Die betreffen het lage onderwijsaanbod en de beperkte financiële middelen. Dr. Marijke Bruins, nu onderzoeker bij Proceskunde maar tot voor kort voorzitter van de aio-raad van onderzoekschool VLAG, ergert zich verder aan het verplichte karakter. ‘Recht op onderwijs is wel genoeg.’ Niet alle aanwezigen denken er overigens zo over. Heijdra wijst bijvoorbeeld op het belang op verbredende vakken. ‘Slechts twintig procent gaat door in de wetenschap. Het is noodzakelijk promovendi vertrouwd te maken met dit perspectief.’ Hij tempert overigens het Wagenings enthousiasme voor de onderzoekscholen door te stellen dat ‘de helft van de promovendi niet eens weet bij welke onderzoekschool hij zit’.

Sta-in-de-weg
Het pièce de résistance van de bijeenkomst is dan ook het toekomstperspectief van de onderzoekscholen. Een aantal universiteiten – met als koplopers Groningen en Utrecht – zijn druk bezig zich te profileren als ‘onderzoeksuniversiteit’. Zij vinden dat de onderzoekscholen niet passen in de wijze waarop zij de promotieopleiding vorm willen geven. Ze willen over naar echte graduate schools – volgens het Angelsaksische model – waarin de promotieopleiding wordt gebundeld met de masteropleiding. Hiertoe zijn research masters opgericht die naadloos moet overlopen in de promotie. De bestaande interuniversitaire onderzoekscholen zijn dan een sta-in-de-weg.
Groningen verbiedt onderzoekers zelfs deel te nemen aan onderzoekscholen en is ondanks protesten op de werkvloer al begonnen de door haar geleide onderzoekscholen te ontmantelen. Utrecht volgt een vergelijkbare koers. Sonneveld waarschuwt dat ze het kind met het badwater weggooien. ‘Groningen zat in zeven tot twaalf onderzoekscholen en krijgt straks zeventien nieuwe, eigen graduate schools. Terwijl je eigenlijk heel zuinig moet zijn op een opgebouwde naam.’
De komst van de research master – ook Wageningen gaat komend jaar experimenteren met zo’n variant binnen het bestaande masterprogramma – is inmiddels een gelopen race. Sonneveld: ‘Dat wordt de koninklijke weg naar promotie. Over de lengte van het traject wordt nog wel veel gesproken, die varieert van drie tot vier jaar.’ In Wageningen, waar de promotieduur van vier jaar nog maar incidenteel gehaald wordt, is geen steun voor verkorting. ‘We moeten ons door komst van de researchmaster niet laten afglijden tot drie jaar’, waarschuwt geneticus en WIAS-directeur prof. Johan van Arendonk.
De huidige erkenningsprocedure – onder auspiciën van de KNAW – in de lucht houden en internationaliseren lijkt het beste wapen tegen het opkomende egocentrisme in onderzoeksland. En Rabbinge kan in Den Haag gaan lobbyen. Volgens het voormalig Eerste Kamerlid is het huidige krachtenspel rond de onderzoekscholen duidelijk: de KNAW is voor, de belangenorganisatie van universiteiten VSNU tegen en onderzoeksorganisatie NWO laat ‘nog geen krachtig geluid horen’.
De vorige minister van OCenW, Maria van der Hoeven, was weliswaar voor, maar volgens Rabbinge ‘niet krachtig genoeg’. Het lot van de onderzoekscholen komt daardoor voor een belangrijk deel in handen van de nieuwe minister Ronald Plasterk.
En dan is er volgens Kok nog altijd de mogelijkheid een beroep te doen op de ‘anarchie in de staf’’. ‘Een universiteitsbestuur kan onderzoekers wel tot van alles verplichten, maar er is toch geen Stasi die dat gaat controleren.’

Wageningse onderzoekscholen
Nationaal:
- EPS (Experimental Plant Sciences) met partners RUN, UU, UL, UvA, VU, CBS en NIOO
- VLAG (Food Technology, Agrobiotechnology, Nutrition and Health Sciences) met partners UM, UU, RUN, TNO, NIZO en RIVM

Lokaal:
- MGS (Mansholt Graduate School for Social Sciences)
- PE&RC (C.T. de Wit Graduate School for Production Ecology and Resource Conservation)
- WIAS (Wageningen Institute of Animal Sciences)

Filiaal:
- WIMEK (Wageningen Institute for Environment and Climate Research), onderdeel van SENSE (Netherlands Research School for the Socio-Economic and Natural Sciences of the Environment) waarvan de VU penvoerder is
- CERES-Wageningen, onderdeel van CERES (Research School for Resource Studies for Development) waarvan de UU penvoerder is

Re:ageer