Wetenschap - 11 maart 1999

Eerst de overheid voorlichten, dan pas de boeren

Eerst de overheid voorlichten, dan pas de boeren

Eerst de overheid voorlichten, dan pas de boeren
Zonder politieke steun mislukt geïntegreerde bestrijding

In Indonesië is de introductie van geïntegreerde plaagbestrijding (IPM) succesvol geweest. Dit mede dankzij het duidelijke falen van de pesticiden en het doorzettingsvermogen van de minister van Handel. Promovendus dr ir Jan Oudejans, die twintig jaar in de bestrijdingsmiddelenindustrie werkte, onderzocht waarom geïntegreerde bestrijding in de jaren tachtig wel van de grond kwam in Indonesië, en niet in Maleisië en Thailand


Het leger dat zich bemoeit met de gewaskeuze van boeren. Zoiets was tijdens de Groene Revolutie in Indonesië heel gewoon. In de jaren zestig lanceerde de Indonesische overheid een programma gericht op de verhoging van de rijstproductie. Dat was nodig omdat de rijstproductie ver achterbleef bij de bevolkingsgroei. Met Wereldbankleningen werden grote irrigatieprojecten uitgevoerd. Daarnaast werden boeren onder druk gezet om nieuwe rijstvariëteiten met een kortere stengel te gebruiken. Dat betekende een hogere opbrengst, maar ook de inzet van kunstmest en pesticiden

Om boeren over de streep te trekken werd gebruik gemaakt van voorlichting, subsidies, kredietfaciliteiten en intimidatie. Boeren die toch de oude variëteiten hadden geplant, werden soms door het leger gedwongen de planten er weer uit te trekken, vertelt dr ir Jan Oudejans. Ze moesten dan alsnog de kortstengelige variant planten.

Oudejans (63) werkte tot 1975 voor bestrijdingsmiddelenfabrikant Ciba Geigy. Na die tijd werkte hij onder meer voor de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in welke functie hij meewerkte aan geïntegreerde bestrijding in de tropen. Hij promoveerde 26 februari bij de Wageningse emeritus prof. dr Jan Zadoks op onderzoek naar integrated pest management (IPM) in Indonesië, Maleisië en Thailand

Voor zijn onderzoek bestudeerde hij onder welke omstandigheden en vooral bij welk overheidsbeleid de introductie van geïntegreerde bestrijding van plagen succes heeft gehad. In zijn proefschrift beschrijft hij hoe plagen de afgelopen jaren werden bestreden. Daartoe analyseerde hij het overheidsbeleid op het gebied van onderzoek en voorlichting en de verkoopcijfers van landbouwgif in de diverse landen

Tegenslagen

Oudejans concludeert dat geïntegreerde plaagbestrijding eigenlijk alleen in Indonesië met succes bij boeren is geïntroduceerd. Dat komt doordat de Indonesische overheid na de invoering van de moderne rijstrassen zo veel tegenslagen heeft gehad, dat ze bijna niet anders kon dan geïntegreerde plaagbestrijding als alternatief invoeren

De nieuwe, kortstengelige rassen zorgden er wel voor dat Indonesië zelfvoorzienend werd in rijst, maar de rassen hadden ook een groot nadeel. Bij de selectie op opbrengst hadden ze op virusresistentie ingeleverd. Aanvankelijk ging de overheid de virusziekten te lijf door de plaaginsecten - de belangrijkste overbrengers van virussen - met pesticiden te doden. Ze ging zelfs spuiten per vliegtuig, waardoor kilometers grote gebieden nagenoeg steriel werden. Daarna braken onverwacht nieuwe plagen uit, zoals die van de brown planthopper, een wantsachtig insect dat met zijn zuigsnuit in het weefsel van planten boort en virussen overbrengt

Begin jaren zeventig bewezen onderzoekers van het International Rice Research Institute (IRRI) dat deze nieuwe plaaguitbraken juist werden veroorzaakt door het spuiten. Bekend is vooral het werk van de onderzoeker Kenmore op de Filipijnen. Hij toonde aan dat in een onbespoten veld dankzij natuurlijke vijanden minder dan vier procent van de bruine planthoppers het volwassen stadium bereikt. Vooral spinnen ruimen veel planthoppers op. In een onbespoten veld is de bruine planthopper vanzelf gecontroleerd, concludeert Kenmore. Door spuiten worden de natuurlijke vijanden uitgeschakeld

Kenmore is een ontzettend politiek dier, weet Oudejans. Hij heeft deze boodschap binnengebracht bij de FAO waar hij toen in dienst was. Economen van het IRRI bevestigden dat het spuiten de opbrengst van boeren vermindert. Bovendien bleek dat juist toen Indonesië begin jaren zeventig de uitgaven aan insecticiden verviervoudigde, twintig procent van de boeren de oogst verloor door de bruine planthopper

Omslag

De nieuwe kennis over de nadelen van spuiten veroorzaakte volgens Oudejans een omslag in het denken. Het grenzeloze vertrouwen in synthetische bestrijdingsmiddelen was weg. Onderzoekers, voornamelijk westerse, begonnen te werken aan een methode waarbij zowel biologische als chemische middelen werden gebruikt. De gifspuit wilden ze alleen nog gebruiken als dat echt onvermijdelijk was. In 1979 begon de FAO in zeven landen in Zuidoost-Azië een IPM-programma in de rijstsector. Onderzoekers begonnen met veldproeven en boeren kregen voorlichting

Halverwege de jaren tachtig was de Indonesische politiek ontvankelijk voor nieuwe ideeën op het gebied van gewasbescherming. Door de instorting van de olieprijzen stond de Indonesische economie zwaar onder druk. Een nieuwe bruine planthopper-plaag had honderdduizenden hectare rijst aangetast. Indonesië moest weer rijst importeren. Uiteindelijk was het echter niet landbouwminister Arafin maar minister van handel Sumarlin die het roer omgooide

Oudejans: Minister van handel Sumarlin hoefde maar op zijn begroting te kijken om te zien dat er nauwelijks inkomsten van de landbouw binnenkwamen, terwijl de overheid wel jaarlijks honderddertig tot honderdvijftig miljoen dollar uitgaf aan subsidies op bestrijdingsmiddelen. Enkele topambtenaren stelden toen voor mee te gaan naar het veld. Een week lang is Sumarlin bij boeren op bezoek geweest.

De ambtenaren bedongen bij Sumarlin wel dat hij hen zou beschermen tegen de toorn van landbouwminister Arafin. Want zij voelden de bui al hangen: de zoon van de landbouwminister was directeur van een grote bestrijdingsmiddelenfirma

Woedend

Sumarlin wist de president te motiveren maatregelen te nemen. In 1986 werden 57 zeer schadelijke contactvergiften verboden en de subsidies op pesticiden werden afgebouwd. Bovendien werd een voorlichtingsprogramma gestart om boeren te trainen in het vroegtijdig herkennen van plagen en het toepassen van IPM. Volgens Oudejans reageerde de landbouwminister woedend. Hij ontsloeg een groot aantal topambtenaren. De vier onder bescherming van Sumarlin kon hij echter niet treffen.

De politieke maatregelen van de Indonesische regering hadden succes. Het gebruik van pesticiden verminderde. En wat de bestrijdingsmiddelenindustrie voor onmogelijk hield gebeurde: de planthopperplagen namen af en de rijstopbrengst steeg. Vooral de boeren die in zogenaamde in farmer field schools zelf konden zien dat IPM werkte, grepen minder vaak naar de gifspuit

Oudejans vergelijkt deze geschiedenis met die van IPM in andere Zuid-Aziatische landen. In Maleisië, volgens Oudejans het land waar de basisbeginselen van geïntegreerde plaagbestrijding zijn uitgewerkt, is IPM eigenlijk alleen in de grote irrigatiepolders toegepast en dat alleen voor onkruidbestrijding. In Thailand blijft IPM in de onderzoeksfase steken omdat het voorlichters niet lukt de boeren te bereiken. In deze landen constateerde Oudejans dan ook geen afname van de verkoop van bestrijdingsmiddelen

Alleen in Indonesië vond Oudejans een duidelijk effect van de introductie van IPM: de verkoop van pesticiden daalde. Wel zijn in 1996 de verkoopcijfers weer op het oude niveau. Oudejans vermoedt dat dit deels komt doordat boeren na het afbouwen van de subsidies eerst hun oude voorraden hebben opgespoten. Toch vindt Oudejans dat de introductie van IPM in Indonesië succesvol is geweest. Was in 1986 zestig procent van het verkochte gif voor rijst, in de jaren negentig is dit nog slechts 28 procent. In al die gebieden waar boeren zijn getraind in farmer field schools wordt nu nog hooguit een of twee keer per seizoen gespoten. Vroeger was dat vier keer. Naar schatting zijn momenteel twee miljoen van de 48 miljoen boeren op de hoogte van IPM

Volgens Oudejans had de introductie van IPM in Indonesië het meeste succes omdat de overheid zich er intensief mee bemoeide. Introductie van IPM is niet mogelijk zonder steun van de overheid, stelt hij. Je moet niet alleen de boer in het veld overtuigen van de noodzaak van geïntegreerde bestrijding. Eerst moet je overheidsinstanties op alle niveaus daarvan doordringen. Dan kun je met de boeren verder gaan.

Mottenlarven

Dat de overheid vervolgens ook duidelijke regels moet stellen, blijkt uit een IPM-project in een tuinbouwgebied in Maleisië. Chinese onderzoekers zetten met succes sluipwespen in voor de bestrijding van mottenlarven. Het gebied waar ze dat deden ligt in een vallei. Het is een soort natuurlijke kas, perfect voor biologische bestrijding. Toch zakte het project na het vertrek van de onderzoekers in. En nu spuiten de boeren weer als vanouds. De ellende is dat al die tuinen aan elkaar grenzen. Spuit oon boer, dan verpest hij het voor de anderen, want spuiten en sluipwespen gaan niet samen.

In Indonesië is de tuinbouwsector een grote groeimarkt voor landbouwgif. Daarom is Oudejans blij dat de Indonesische regering het IMP-beleid heeft uitgebreid naar deze sector. Indonesië is duidelijk op de goede weg, vindt hij. Het is nu een kwestie van continuering van het beleid. De vraag is echter wel waar de centen vandaan moeten komen, want donoren haken momenteel massaal af.

Heb ik twee heren gediend?

Dr ir Jan Oudejans geloofde na zijn afstuderen rotsvast in chemische bestrijdingsmiddelen. Hij werkte jarenlang voor de chemische industrie en leerde er de mentaliteit van centen eerst kennen. In dienst bij een Nederlands bedrijf met plantages in Zaïre, Rwanda en Guatemala, waar volgens strakke schema's werd gespoten, rezen bij hem de twijfels. Later raakte hij als ambtenaar van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betrokken bij het IPM-programma van de FAO

Heb ik twee heren gediend? vraagt hij zich dan ook af in het eerste hoofdstuk van zijn proefschrift. Ja en nee, vindt hij zelf. Het antwoord is ja als de industrie volhardt in het promoten van bestrijdingsmiddelen en de voorstanders van IPM het gebruik van alle chemische middelen afwijzen. Nee, als beide partijen bereid zijn samen te werken.

Oudejans kent in de wereld van de industrie toegewijde onderzoekers. Maar hij verwijt hen vaak blind te zijn voor andere aspecten dan een hoge opbrengst. De voorstanders van geïntegreerde plaagbestrijding maken in zijn ogen de fout de voordelen van zorgvuldig pesticidengebruik niet te willen zien. Beide partijen zouden volgens hem moeten samenwerken. Hij denkt dat de industrie IPM wel serieus zal moeten nemen. Grote concerns als Bayer, die ook medicijnen produceren, hebben tenslotte een naam te verliezen.

Re:ageer