Student - 12 april 2007

Een zoen op Madagaskar

Bette Harms, vijfdejaars Communicatiewetenschappen, zat deze winter drie maanden in Madagascar als stagiair voor het Wereld Natuur Fonds (WNF). Het arme land herbergt veel unieke dier- en plantensoorten. De natuur wordt echter bedreigd door de bevolkingsgroei; in 25 jaar verdubbelde het aantal eilandbewoners.

614_nieuws.jpg
614_nieuws.jpg

Foto: .

‘De eerste weken zat ik een dorp in het midden van nergens met hutjes van bamboe en palmbladeren op palen. Iedere ochtend werd ik om vier uur wakker. Naast mijn huis stond de enige pomp, ‘s ochtends dé plek voor lokale roddel. Of een zware technobeat wekte me – van de vrouwen die rijst stampen. Drie keer per dag eten de Malagasy een berg rijst. Zoute witte plakkerige korrels die ik moeilijk weg kreeg.
De eerste dag kwam er op straat een oude man op me af die me vriendelijk toelachte en zijn hand uitstak. Ik reikte hem mijn hand en kreeg een dikke zoen. De hele straat schaterde van het lachen. Al gauw deed dit verhaal de ronde, met als gevolg dat de koning van het gebied, waar we mee samenwerkten, die avond nog een nieuwe wet maakte. Iedereen die mij of mijn vriendin nog probeerde aan te raken moest een koe betalen. Bij zonsondergang stelde de koning luid roepend op het plein het dorp op de hoogte van deze nieuwe wet.
Overdag hielp ik de dorpelingen met rijst planten. De Tanala verzamelen voedsel uit het bos en branden iedere drie, vier jaar nieuwe stukken kaal voor de rijstbouw. Het WNF leert hen hoe je rijst op terrassen verbouwt, wat drie keer meer opbrengst geeft én bos spaart.
De laatste maand zat ik in de hooglanden. De Betsileo, een stam die rijst verbouwt en zeboes houdt, ontvingen ons met open armen. Mijn collega en ik kregen dekens, potten en pannen en ze gaven een feest ter ere van ons bezoek. De rum ging rond en in de donkere hoekjes zaten overal kinderen weggedoken in hun dekens. Op een gegeven moment joeg de dorpsoudste ze weg omdat het bedtijd was, maar toen veel moeders sliepen en vaders voldoende onder invloed waren, doken overal weer kleine kinderen op.
Samen met de dorpsbewoners hebben we tweeduizend bomen geplant om een stuk dat een jaar eerder in vlammen was opgegaan te herbebossen. De gemeenschap ziet in dat het bos van levensbelang is, voor constructiehout, traditionele medicijnen en drinkbaar water, en heeft een commissie opgericht die controleert op illegale houtkap en bosbranden.
Ondanks mijn gebrekkige Malgaschze kwamen mijn buurvrouw en haar vriendinnen iedere dag langs voor een praatje. En toen ik een aantal dagen met koorts op bed lag door malaria, brachten dorpelingen me kruiden die mijn hoofdpijn verzachtten. Kinderen die ons afval vonden toverden het om tot speelgoed: mijn waterfles werd vrachtwagen, de plastic tas een vlieger en mijn blikje tomatenpuree is nu een autootje.’

Re:ageer