Wetenschap - 23 mei 2002

Eén speentjesgen maakt nog geen superzeug

Eén speentjesgen maakt nog geen superzeug

Wageningse onderzoekers hebben per toeval een gen ontdekt dat het aantal spenen bij varkens vergroot. Eigenlijk waren ze op zoek naar een gen waardoor zeugen meer biggen kunnen werpen. En ook dat hebben ze gevonden. Toch zullen fokkers geen standbeeld voor dr Birgitte van Rens oprichten.

Het gen dat Van Rens onderzocht, bevat de bouwtekeningen voor een eiwit waaraan het hormoon prolactine zich moet vastmaken. Komt die verbintenis tussen hormoon en eiwit niet tot stand, dan werkt het hormoon niet. Prolactine stimuleert bij vrouwelijke dieren de melkafgifte en het ontstaan van moederlijke gevoelens.

Van Rens onderzocht varkens met twee verschillende varianten van het gen voor het koppeleiwit: het A-type en het B-type. "We wisten dat varkens met een A-type waarschijnlijk een ander koppeleiwit voor prolactine hebben. Of het eiwit ook anders functioneert, dat wisten we niet. Maar we hoopten dat varkens met het ene type gen meer biggen wierpen dan varkens met de andere variant."

En dat was ook zo. Zeugen met de A-variant kregen meer biggen. Weliswaar precies wat fokkers willen, maar er zat een addertje onder het gras. De zeugen waren minder snel geslachtsrijp en hun biggen hadden minder spenen. "En dat is nou precies wat fokkers niet willen", zegt Van Rens. "Fokkers willen zeugen die snel biggen krijgen en ze nog zelf kunnen voeden ook. Aan zeugen met te weinig spenen heb je dus niet zoveel."

Geen standbeeld dus. Van Rens zit er niet mee. "Wetenschappelijk is dit natuurlijk verschrikkelijk interessant." | W.K.

Re:ageer