Wetenschap - 1 januari 1970

Een lege collegezaal in de tropen

1

Zo goed als alle Nederlandse ontwikkelingshulp in Suriname is mislukt, concludeerde vorige maand de Utrechtse socioloog Dirk Kruijt in een rapport. De Nederlanders hebben de Surinamers na de onafhankelijkheid te weinig durven aanspreken op hun falen, bang als ze waren te worden beschuldigd van een koloniale aanpak. Surinaamse onderhandelaars maakten van die angst handig gebruik. Hoe zit het eigenlijk met Wagenings werk in Suriname? Oud-Surinameganger dr ir Jan Wienk blikt terug.

Het rapport onder de naam ‘Een belaste relatie’ van socioloog Kruijt hekelt vooral de inzet van geld tussen 1975 en 2000 van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland Suriname (CONS). Het geld werd over de balk gesmeten, zonder dat er gekeken werd of het effect had. Ook dr Jan Wienk, die jaren namens de Wageningse Landbouwhogeschool in Suriname werkte, heeft gezien wat er met CONS allemaal misging. ,,Er is een spoorlijn van nergens naar nergens aangelegd, die bovendien aan absurd hoge technische eisen moest voldoen. En de militairen hebben zich geld toegeëigend, waardoor het land in een economische crisis terecht kwam.’’ Ook leek geld van CONS minder waard dan ander geld. ,,Als iets door CONS werd gefinancierd gingen de prijzen omhoog’’, zegt Wienk.
Met CONS-geld werden grote projecten gefinancierd. Stuk voor stuk zonder veel succes, vooral omdat ze veel te grootschalig van opzet waren. De Landbouwhogeschool Wageningen had met die projecten echter niets van doen, zegt Wienk. Ze werden uitgevoerd door grote ingenieursbureaus zoals ILACO, een buitenlandse dochter van Heidemij.
En om meteen maar een ander misverstand uit de wereld te helpen: ook met het Surinaamse dorpje Wageningen heeft de Landbouwhogeschool niet veel van doen gehad. Het is een dorpje dat de Stichting Machinale Landbouw heeft gebouwd, inclusief een rijstfabriek en een onderzoeksstation voor rijstveredeling. Het was de bedoeling dat er kolonisten zouden gaan werken, maar er kwamen er maar weinig. Als eerbetoon aan de Nederlandse landbouwstad werd het Wageningen genoemd en werd er zelfs een Hotel de Wereld gebouwd.
Wienk vertelt: ,,Toen ik er in de jaren zestig kwam stonden veel van de huisjes van de Nederlandse boeren al weer leeg. Vanaf de onafhankelijkheid gingen er steeds meer Surinamers werken, ook Surinamers die in het Nederlandse Wageningen waren opgeleid. Na de coup en de decembermoorden van 1982 werd de zaak door militairen overgenomen die geen enkel verstand van landbouw hadden. Toen vertrokken ook de meeste Surinamers en verviel het dorpje Wageningen. Maar het was ooit een internationaal high-tech voorbeeldproject. Het systeem van twee oogsten per jaar vroeg om een nauwkeurige planning en keihard werken. De Hollanders deden dat, maar toen er later Surinamers gingen werken die vakbonden hadden werd er niet meer in het weekend gewerkt. En door de militairen is het helemaal mis gegaan.’’ Inmiddels ligt het dorpje Wageningen, inclusief de plantage en de fabriek, er desolaat bij, laat een toevallige bezoeker weten.

Tropenervaring

Wat het ‘echte’ Wageningen wel lange tijd aan Suriname heeft gebonden is het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek in Suriname, kortweg Celos. Toen Nederland de koloniën in Indië kwijtraakte, ging de Landbouwhogeschool op zoek naar een plaats waar Wageningse medewerkers hun tropenervaring in stand konden houden en uitbreiden. Het werd Suriname, dat nog een kolonie was en – zo verwachtte men toen – ook een kolonie zou blijven. De Landbouwhogeschool zette het Celos daarom ambitieus op. Het geld ervoor kreeg het college van bestuur van het ministerie van landbouw. Er werden gebouwen neergezet, groot genoeg voor veertig Wageningse onderzoekers en tachtig man ondersteunende Surinaamse staf. Zoveel onderzoekers zijn er echter nooit geweest.
Ook werd er een grote collegezaal gebouwd. Daarin moesten de Wageningse studenten les krijgen die bij het Celos hun praktijktijd zouden volgen. Maar die collegezaal is nooit gebruikt voor dat doel, want de toestroom van studenten viel tegen, vertelt Wienk. ,,Celos was bedoeld als springplank van Wageningen naar Latijns-Amerika. Maar dat is nooit van de grond gekomen en daar was ook nooit goed over nagedacht. Het woord Celos betekent nota bene afgunst in het Spaans.’’
Wienk ging in 1968 bij Celos werken namens de Wageningse vakgroep Tropische Plantenteelt. Later werd hij directeur van het instituut. Naast landbouw waren er bij het Celos afdelingen voor bijvoorbeeld bosbouw, waar Celos later bekend om werd, maar ook voor economie, sociologie en entomologie. ,,Maar wat de vliegenvangers of de economen deden wist ik als landbouwkundige niet. We werkten los van elkaar’’, zegt Wienk. Volgens hem kwam dat doordat de onderzoekers alleen verantwoording af hoefden te leggen aan hun hoogleraar in Wageningen en gebonden waren aan hun vakgroep. ,,Er was geen overkoepelende commissie, en daardoor ook geen samenwerking.’’
Een ander probleem, vond Wienk destijds al, was het gebrek aan samenwerking met Surinamers. Wienk: ,,Wageningse onderzoekers werden voor twee jaar gedetacheerd naar Celos. Met Surinamers hadden de onderzoekers weinig te maken. Het onderzoek werd uitgezet door Wageningse hoogleraren en was helemaal niet gericht op Surinaamse problemen.’’ Al voor de onafhankelijkheid wilden de medewerkers van Celos dat veranderen. Maar de toenmalige Surinaamse autoriteiten vonden het wel best wat Celos deed.

Onafhankelijkheid

De politici die in 1974 aan de macht kwamen hadden daar echter heel andere ideeën over. Na de onafhankelijkheid, een jaar later, werd het Celos genationaliseerd en vertrokken de Wageningse onderzoekers. Maar Suriname had geen onderzoekers om het centrum draaiende te houden en had nauwelijks het geld om de ondersteunende staf te betalen. Wienk wilde ‘geen lege eierschaal overdragen op de onafhankelijkheidsdag’ en vertrok daarom voortijdig.
Maar alleen konden de Surinamers Celos niet beheren. Begin 1976 kwam er daarom weer een Surinaamse delegatie naar Wageningen. ,,Of we alsjeblieft weer terug wilden komen’’, zegt Wienk. ,,En waarom niet, dachten we toen. Het was nog steeds ons werk, deels was het nog onafgemaakt. En de staf was door ons getraind, er heerste discipline. Die gingen niet de krant lezen op hun werk.’’

Coup

De financiering veranderde wel. De helft bleef uit Wageningen komen, de andere helft moest van Suriname komen. Suriname had dat geld niet, en de enige mogelijkheid was Nederlands ontwikkelingsgeld. Zo heeft ook Celos nog een aantal jaren op geld van CONS gedraaid.
Maar niet eens zo lang. Wienk: ,,Net toen we met een delegatie uit Wageningen een nieuw plan aan het maken waren voor onderzoek in de kustvlakte, pleegde Bouterse zijn coup.’’ De militaire repressie in het land die daar op volgde culmineerde in 1982 in de decembermoorden, waarbij vijftien tegenstanders van het bewind werden geëxecuteerd. De Nederlandse ontwikkelingshulp werd onmiddellijk stopgezet en ook Wienk kreeg bericht uit Wageningen dat het werk gestaakt moest worden. Wienk bleef nog anderhalf jaar, om zaken af te handelen en onderzoekers de kans te geven hun resultaten op te schrijven, zodat die niet verloren zouden gaan. In mei 1984 vertrok de laatste Wageninger uit Celos.
Terug in Wageningen restte Wienk eigenlijk maar een vraag: wat gebeurt er nu met het geld dat het ministerie van landbouw voor Celos geoormerkt had? Het college van bestuur wilde een nieuwe Wageningse vestiging in het buitenland, en nu werd het Costa Rica. Het idee van een steunpunt voor studenten en onderzoekers, dat in Celos al bestond, werd in Costa Rica voortgezet. Met als belangrijkste les uit Suriname: koop geen gebouwen maar huur alleen. Want voor je het weet is alles weer anders.

Joris Tielens

Re:acties 1

  • dirk zoebl

    Ja, herinner me daar een en ander van, als praktijk student onder Jan in 1968, ik moest potproeven doen aan soja en cowpea, achter de slagbomen van het pompeuze complex. leuk werk, maar had idd weinig te maken met landbouw problematiek van het land (toen nog onder Pengel als gouverneur vd kolonie, Jopie, Jopie Jopie heeft verjarie...). Het was wel zo dat we regelmatig op excursie gingen, naar wWageningen rijstpolder (lange reis per speedboat deels, langs de kokosplantagesn van Coronie, waar we wel in contact kwamen met locale kleine kokosboeren, die ook varkens hielden en daar in Paramaribo veel te lage prijzen voor kregen, vonden ze, dat was tenminste iets, en totaal anders dan onze bioindustrie, kon daar niet iets aan gedaan??), of het binnenland in, naar Brokobaka, waar ik kennis maakte met de klassieker KUDZU, de reddende bodembedekker voor de natte tropen, ook weer anders dan bij ons dus, ja we leerden wel iets daar, en onze ogen werden geopend voor een ander soort perspectief, het tropen perspectief, toen nog half kolonie, maar binnen 10 jaar overal wereldwijd nieuwe naties zonder enig koloniaal luchtje meer, helemaal zelfstandig, die ook geen behoefte meer haddn aan onze tropische (vooral opgedaan in Ned.Oud Indie) insteek. Het resultaat is ernaar, kijk alleen eens naar de soja in Brazilie en de oliepalm in Kalimantan, alles opgeofferd (bos,bodems, orangs, andere fauna) aan de globale handel en harde commercie, helaas helaas, dat hadden wij als jonge studentjes op dat Celos niet kunnen bevroeden natuurlijk, wij waren nog heel idealistisch toen, kleinschalige landbouw, de peasants zouden net als bij ons langzaamaan meer moeten gaan produceren, met betere zaden en beetje kunstmest en zo, ochochoch, ook al niets van terecht gekomen, iedereen die maar beetje kon weg van het land naar de stad, en de Chinezen hadden we ook niet zien aankomen natuurlijk, die hadden toen in Parbo alle hoekhuizen met restaurant op straatniveau in bezit. en gingen nog niet tekeer met het neerhalen van het oerbos en andere maniakale projecten (aan grootheidswaanzin was en is in de tropen geen gebrek, dat is gebleven dus). Dag Jan, kruisen onze paden nog eens??

    Reageer

Re:ageer