Wetenschap - 1 januari 1970

Een gesloopte identiteit

Het Turkse leger vernietigde tussen 1990 en 1999 duizenden Koerdische dorpen en dwong meer dan een miljoen mensen om te verhuizen naar het westen van Turkije. Dat was, zegt onderzoeker Joost Jongerden, geen bijverschijnsel van de strijd tegen de opstandige PKK, maar een doelbewuste poging om de Koerdische identiteit uit te wissen.

Een ontruimd Koerdisch dorp. / foto Joost Jongerden.

Het is vaker zo bij oorlogen: de strijdende partijen wijzen elkaar aan als de smerigste misdadiger. Zo ook bij het conflict in Turks Koerdistan. Koerden zien de Turkse staat als onderdrukkend en willen met een guerrilla democratisering of een eigen staat afdwingen. De Turkse staat ziet de guerrilla en de aanslagen van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) als terrorisme dat met harde hand moet worden bestrijden om de veiligheid van de burgers in het land te kunnen garanderen. Ook over de grootschalige ontruiming en vernietiging van dorpen begin jaren negentig door het Turkse leger verschillen de meningen. Mensenrechtenorganisaties hebben het over vier miljoen ontheemde mensen, de Turkse overheid over 400 duizend. De rechtvaardiging die de Turkse overheid geeft van de verplaatsing van mensen is dat de ontruimingen een onvermijdelijk bijverschijnsel waren in de strijd tegen terrorisme door de PKK. In modern oorlogsjargon: collateral damage, toegedane schade die niet zo bedoeld was. De veiligheid van mensen zou niet meer gegarandeerd kunnen worden en mensen zouden daarom vanzelf vertrokken zijn uit het gebied. Maar is dat zo?

Strategie
In zo’n situatie biedt een onafhankelijk onderzoeker uitkomst. Joost Jongerden deed twee jaar veldwerk in Koerdistan, sprak met veel betrokkenen en doordacht de sociologische logica achter het Turkse beleid. Eerder al rapporteerde hij ook voor de mensenrechtenorganisatie Amnesty International over de regio. De aanstaande doctor is duidelijk: de ontruiming en vernietiging van het platteland en de herhuisvesting van mensen in steden in de regio en het westen van Turkije zijn geen onbedoeld bijverschijnsel, maar een wezenlijk onderdeel van de strategie van de Turkse overheid om de opstand in de regio te bestrijden.
Jongerden schetst de achtergrond: ‘In 1978 werd de PKK opgericht die vanaf 1984 een guerrilla begint tegen het Turkse leger. Dat leidde tot een contraguerrilla van het Turkse leger. Eind jaren tachtig werden voor het eerst dorpen ontruimd, maar tot dan waren dat vooral nog represailles tegen dorpelingen die verdacht werden van steun aan de PKK. Vanaf 1992 veranderde het karakter van de ontruimingen. Het platteland werd systematischer ontvolkt door het leger als middel om de situatie in de hand te krijgen. De staat stond zwak op het platteland en het leger had moeite het gebied te controleren. Voor de PKK daarentegen was het platteland een gunstige omgeving, niet alleen om een guerrilla te voeren maar ook voor het opbouwen van een alternatieve machtsstructuur. De stad was voor het leger een gunstiger omgeving omdat concentratie van troepen er mogelijk is. Daarom ging het leger over tot een grootschalige vernietiging van dorpen, akkers en bossen en een verplaatsing van Koerden naar de steden, zowel in de regio als in het westen.’
Alleen Koerden die burgerwacht wilden worden en het leger wilden bijstaan in de oorlog tegen de PKK mochten blijven, anderen moesten vertrekken. ‘Door de rurale habitat van de opstand te vernietigen wilde het leger de PKK voor de keuze stellen zich in isolatie terug te trekken in de bergen of in Irak of Iran, of zich over te geven aan een guerrilla in de stad, waar het leger de strijd in haar voordeel kon beslechten. Die opzet slaagde deels. In de tweede helft van de jaren negentig slaagde het leger erin het initiatief naar zich toe te trekken, en de PKK zware slagen toe te brengen.’

Ontheemden
De ontruiming van het platteland en de verplaatsing van de bevolking had volgens Jongerden nog een opmerkelijk kenmerk. ‘Er zijn geen vluchtelingenkampen of resettlements. De ontheemden werden aan hun lot overgelaten en vestigden zich op eigen gelegenheid in steden in en buiten de regio. Hoewel volgens sommige internationale NGO’s de Koerden rond 1996 de op een na grootste groep van ontheemden in de wereld vormden, waren zij niet zichtbaar voor de internationale publieke opinie, doordat zij zich niet in kampen bevonden maar verspreid over steden.’

Urbanisatie moest Koerden dwingen om te assimileren in de Turkse cultuur
Er was nog een reden waarom de Turken nut zagen in de verplaatsing van mensen. De stad wordt niet alleen gezien als een gunstige omgeving voor de bestrijding van de opstand, ook beschouwen beleidsmakers en planners de stad als een centrum van een moderne Turkse cultuur. Dit in tegenstelling tot het platteland dat wordt beschouwd als de wieg van traditionele en tribale loyaliteiten. Door een snelle urbanisatie – zo is het idee – zouden Koerden ook assimileren in de Turkse cultuur. Jongerden: ‘Het streven naar assimilatie van uiteenlopende culturele identiteiten in een Turkse nationale identiteit loopt als een rode draad door de geschiedenis van het moderne Turkije. Nationalisme was en is het dominante politieke principe in de Turkse politiek.’
Sinds Mustafa Kemal (Atatürk) begin vorige eeuw uit de restanten van het Ottomaanse Rijk de Republiek Turkije vormde, is modernisering van de staat het doel geweest. Turkije moest een seculiere staat worden met industrialisering en urbanisatie naar westers model. Om toch de culturele eenheid te behouden kwam het nationalisme uit de mouw. Nationalisering van culturele identiteiten in een Turkse nationale identiteit hoort in de Turkse visie bij modernisering.

Terugkeer
Sinds 1995 werd in Turkije weer gestreefd naar terugkeer van Koerden naar de regio waar ze vandaan kwamen. Althans, op papier, zegt Jongerden. De uitvoering van het beleid lijkt grotendeels te falen. Uit verschillende onderzoeken bleek dat veel Koerden terug wilden keren naar hun streek van herkomst. In 1999 gaf het kabinet van de minister-president opdracht om twee verschillende modellen uit te werken voor een ontwikkeling van het platteland, een economisch model en een administratief model.
Beide plannen slaagden nauwelijks. Van alle verdreven Koerden zijn er volgens officiële opgaaf hooguit 180 duizend teruggekeerd, maar de meesten hebben dat gedaan op eigen initiatief en niet in het kader van beleid. Slechts weinigen hebben ook daadwerkelijk steun van de overheid ontvangen om een terugkeer mogelijk te maken. Bovendien blijkt dat het begrip ‘terugkeer’ voorzichtig gehanteerd moet worden. Velen vestigen zich slechts een deel van het jaar in hun oude dorp, en vaak gaat het daarbij om ouderen of om gezinnen zonder kinderen.
De reden van het falen was, analyseert Jongerden, dat er in de overheid hele uiteenlopende ideeën leven over terugkeer. Hoewel het ministerie opdracht gaf de mogelijkheden van een terugkeer te onderzoeken en plannen uit te werken, zagen gouverneurs en districtsofficieren in de regio’s dat helemaal niet zitten. Ook het leger verzette zich in de praktijk vaak tegen terugkeer, mede omdat het vreest dat een herbevolking van het platteland zal resulteren in het creëren van een sociale basis voor de PKK waardoor het conflict opnieuw zal oplaaien. De tegenstrijdigheid in het beleid van het nationale kabinet en de regionale bazen is de reden, aldus Jongerden, dat het hervestigingsbeleid nooit echt goed van de grond is gekomen.

Joris Tielens

Joost Jongerden promoveert op vrijdag 17 februari bij prof. Paul Richards, hoogleraar Technologie en agrarische ontwikkeling aan Wageningen Universiteit, en prof. Martin van Bruinessen, hoogleraar Vergelijkende studie van moderne islamitische samenlevingen, Universiteit Utrecht.

Re:ageer