Organisatie - 24 april 2008

Een corps met de boerenbenen op de grond

Als lid van het corporale WSV Ceres, dat deze maand haar 26e lustrum viert, waagde je het zestig jaar geleden niet om zonder ‘jasje dasje’ naar de sociëteit te komen. En leuke meisjes trof je er niet, want die waren nog niet welkom in het herenbolwerk. Dat is inmiddels allemaal geschiedenis, maar één ding is hetzelfde gebleven: bier als bindmiddel.

Villa Sanoer begin jaren negentig.
Villa Sanoer begin jaren negentig.

Foto: Guy Ackermans

Eén van de oudste oud-leden van Ceres, Robert Best, kwam in 1947 als scholier uit Nederlands-Indië meteen in de groentijd bij de studentenvereniging terecht. Zijn broer, die in Delft studeerde, had hem ingeschreven als kandidaat-lid. Het corps is in Wageningen zo dominant, daar moet je bij zien te komen, vond hij. En zo zwom Best die eerste dag de Rijn over. ‘Het was een extreem droge zomer, dus de Rijn was niet breed’, vertelt hij.
De student tropische plantenteelt werd gekortwiekt bij kapper Rijsemus in de Hoogstraat, kreeg een wit boordje met een veter en sloeg zich er doorheen. ‘De groentijd was hier niet zo erg door die boerenzonen die met beide benen op de grond stonden’, aldus Best.
Het corps was een mengelmoes van welgestelde boerenzoons, jongemannen uit gegoede kringen, en arbeiderskinderen met een volledige overheidsbeurs. De helft van de leden had toentertijd net als Best een Indische achtergrond. Het zitmeubilair weerspiegelde de hiërarchische verhoudingen op de sociëteit. In de kroegzaal stonden kleine houten stoeltjes voor de eerstejaars, tweedejaars hadden iets betere stoelen, in je derde jaar mocht je in een eenvoudige fauteuil, en als vierdejaars in een normale. ‘Een afspiegeling van de maatschappij’, zegt Best.
Voor het praktische werk had de vereniging destijds personeel in dienst. Op Ceres heetten die altijd Hendrik, Frederik en Frits. Ouderejaars bestelden hun avondeten bij deze bedienden, en die serveerden dat op een witgedekte tafel. ‘Met bedrukt papier. Damast was er alleen bij officiële gelegenheden.’
Vrouwen kwamen slechts bij gala’s op de sociëteit, en om afgestudeerden te feliciteren. ‘Tot om half acht de gong ging, dan moesten alle vrouwen het gebouw verlaten.’ Een paar meisjes vond Best erg aardig, glimt hij. ‘Je zag elkaar bij colleges en practica, en je kon in de stad naar een cafeetje.’
Sommige Ceresleden waren ook stamgast van een Wageningse kroeg. ‘Corpsleden hadden intensiever contact met de burgerij dan nu. Iedereen woonde ook bij mensen thuis op kamers’, zegt Best. Hij ging vooral voor de sociale contacten naar de sociëteit, waar lange vriendschappen ontstonden. ‘Ik dacht altijd dat we anders praatten omdat we alleen met heren onder elkaar waren. Maar het was vooral een andere tijd. Wat dames nu zeggen was in mijn tijd ondenkbaar.’
Naast bier dronken de studenten jenever van Bols. De drankrekening was naast de kamerhuur voor veel studenten de belangrijkste uitgavenpost. Bij te grote schulden moest papa dat aanvullen. ‘Toen werd nog niet geaccepteerd dat je als student ging werken, omdat je dan een baan innam van minder opgeleide mensen.’
Hoewel tropische ziekten hem de eerste twee jaar van zijn studie nog hinderden, studeerde Best in 1953 af en ging promoveren. Door de jaren in het Jappenkamp zonder boeken en onderwijs voelde het alsof hij drie jaar achterstand in moest halen.
Het huis waar hij na een jaar een kamer betrok, Villa Sanoer aan de Wageningse Geertjesweg, is nog altijd zijn thuishaven. Na omzwervingen rond de wereld als ontwikkelingswerker kocht hij de villa in 1980, en verhuurde negen kamers aan Ceresstudenten. Best en zijn onderhuurders drinken samen koffie, en eten met z’n allen. In mei benoemt Ceres de nu tachtigjarige Best – tot zijn verwondering – tot erelid. Over het waarom een andere keer.

Re:ageer