Student - 1 februari 2007

Een aanslag, twee straten verderop

Sinds ik in Eilat verblijf voor mijn MSc-stage Mariene microbiologie, werk ik me over de kop. Deze maandag, heb ik besloten, sta ik niet op. Als een poes krul ik me op onder de dekens. De telefoon – die laat ik overgaan. Mijn nichtje, midden overdag. Typisch. Haar voicemailbericht: of het goed met me gaat, haar stem trilt een beetje. Gek nichtje.

350_nieuws.jpg
Nog een telefoontje. Mijn neef. Vijf minuten later belt hij weer. Nu ben ik echt bezorgd. Er is iets gebeurd, er is vast iemand dood. Met een hart dat bonkt als een gettoblaster neem ik de telefoon op: of ik in orde ben, vraagt hij. Wat heeft iedereen vandaag? Aan de andere kant van de telefoon loeit de radio: er is een aanslag geweest in Eilat.
Daar gaat mijn luierdag. Ik schiet wat kleren aan, loop op de bonnefooi de straat op en vraag wat mensen waar de aanslag is geweest. Dat wordt een korte wandeling; het was twee straten verderop. Ik kom er met de bus iedere ochtend langs.
Van bakkerij Lechamim is niet veel meer over dan het uithangbord. ‘Broden, een bakker dichtbij huis’, staat erop. Van de gevel resten alleen wat verweerde stukken metaal, de ruiten zijn eruit geblazen. Een kar met verse sloven brood wacht als een stille getuige op het terras. Op de straat voor de winkel staat een auto: de vier raamloze deuren en de motorkap hangen open, uit hun voegen.
Tussen de soldaten, velen niet ouder dan een jaar of negentien, speuren pakweg vijftien mannen met een plastic zak in hun hand het hele gebied af. Eerst de stoepen, dan de straat, later ook de kar met brood. Ze dragen witte papieren pakken, laboratoriumhandschoenen, en plastic zakken aan hun voeten. Hun donkere zijlokken en baarden contrasteren met de witte mondkapjes voor hun gezicht.
Moshe Bonen, een dertiger met een zwart fluwelen keppel, vertelt: ‘Wij zijn van de ngo-organisatie ZAKA, voor identificatie van rampenslachtoffers. We verzamelen elke druppel bloed, elk stukje vlees wat we terugvinden.’ Wat hij na een aanslag precies terugvindt, dat kan hij niet beschrijven. ‘Het is gruwelijk om te zien, handen, voeten, hoofden. Volgens het jodendom huist de ziel in het lichaam en we willen de slachtoffers zo eervol mogelijk begraven.’
Wat als ik me minder verslapen had, denk ik. Als ik de bus van half tien had genomen, als die net op die tijd langs de bakker was gereden. Wat als? Alles wordt bepaald in de hemel, zeggen ze hier. Ik leun op een dranghek, een patrouillehelikopter vliegt voor de zoveelste keer over. ‘Heb je die hand gezien?’, vraagt een journalist met enorme zoomlens naast me. Hij keert de display van de camera naar me toe. Daar, uit het oog gehouden door een struik, ligt de plastic zak van Moshe. Wat erin zit is onmiskenbaar een hand, compleet tot aan de pols.
Buurtbewoner Avi Ben Lulu staat er even verderop verslagen bij. ‘Om half tien was ik net klaar met bidden. Ik hoorde een overweldigende ontploffing, heel hard. Op straat was geen vuur te zien, alleen rook en stof. Uit de falafeltent zag ik mensen wegvluchten, maar uit de bakkerij kwam niemand naar buiten, tot nu toe niet.’
Avi belde meteen de politie. ‘Pas op het nieuws hoorde ik dat het om een aanslag ging. Ik ben geboren en getogen in Eilat, woon hier al 44 jaar, ik heb nooit eerder een aanslag meegemaakt. Alles zal vanaf nu beter beveiligd moeten worden. Iedereen die hier staat kan een terrorist zijn. Ik ben bang.’
Morgen wil ik een normale dag. Morgen sta ik gewoon weer op tijd op. Morgen ga ik naar mijn werk. Met de bus. De hemel zal het zeggen.

Re:ageer