Wetenschap - 1 januari 1970

Ecoloog Herbert Prins: 'We zijn lichtvaardig onze proefvelden aan het

Ecoloog Herbert Prins: 'We zijn lichtvaardig onze proefvelden aan het

verkwanselen’

Nederlands grootste biologiefaculteit houdt uitverkoop

Proefvelden zijn voor een goede beoefening van de natuurwetenschap
onontbeerlijk, vindt ecoloog prof Herbert Prins. Wageningen is Nederlands
grootste biologiefaculteit en onderscheidt zich door een gigantische kennis
over ecologische modellen. Maar om die te toetsen zijn experimenten nodig
op bedrijfsniveau, zoals het naast elkaar laten grazen van koeien en
konijnen. De proefvelden die Wageningen bezit, mogen daarom niet verkocht
worden, stelt de hoogleraar natuurbeheer in de tropen en ecologie van
vertebraten.

Wat is de positie van Wageningen binnen het ecologisch onderzoek?

,,Je zou Wageningen kunnen zien als de grootste biologiefaculteit van
Nederland die toevallig niet zo heet. Kijk naar de kennis die er aanwezig
is op het gebied van nematologie, entomologie, genetisch kennis,
enzovoorts, en een gigantische kennis van modellen. In Groningen, Utrecht
of Amsterdam zou dat biologie heten.''

Maar maakt dat Wageningen uniek?

,,In Wageningen heb je alles voor ecologisch onderzoek. We hebben allerlei
apparatuur, zoals het Rhizotron waarmee je ondergronds kunt kijken hoe
plantenwortels met elkaar concurreren, maar de allergrootste asset van
Wageningen zijn hectares land. In Groningen, Utrecht en Amsterdam praat je
over vierkante meters, hier hebben we hectares proefvelden.
Wageningen is met die proeffaciliteiten uniek in Europa. In de VS zijn er
wel een aantal universiteiten die grond bezitten, maar ook daar zie je dat
grond gebruikt wordt om nieuwbouw te financieren of om hypotheken te
verkrijgen. We zijn lichtvaardig bezig met het verkwanselen van de
proefvelden. Verkwanselen, want je kunt het alleen maar duur terugkopen. De
kans dat je in de toekomst op loop- of fietsafstand grond in handen krijgt
is nihil.''

Die grond kun je toch ook huren?

,,Het mooie aan de proefvelden is dat je weet wat er in de loop van de
jaren is gebeurd. Want je moet bij natuurwetenschappelijke experimenten
weten of er wel of niet met pesticiden is gewerkt of dat er stoffen in de
bodem zitten. Je moet allerlei factoren kunnen uitsluiten om goed te kunnen
meten. Bij velden die je huurt weet je dat niet.
Een tweede reden om grond in eigendom te houden, is dat je langdurig kunt
doorgaan met je experiment. Bij huur heb je een huurbescherming van zes
maanden. Pachten is ook geen oplossing, want daarmee is een boer niet blij.
Bovendien is de grond al lang afgeschreven. De grond is tussen de vijftig
en tachtig jaar in het bezit van de universiteit, dus die kun je als
afgeschreven beschouwen. Dat betekent ook dat je weinig kosten hebt.''

Maar hoe past zo'n proefveld in natuurwetenschappelijk onderzoek?

,,Het onderzoek dat we doen is in drie dingen op te delen: waarnemingen,
modellen en experimenten. Vanuit de waarneming kom je tot een model, en
daarmee kom je tot een hypothese die je gaat toetsen. Want modellen
verklaren niets, die moet je natuurwetenschappelijk toetsen. Bij
bijvoorbeeld Alterra zijn modellen het eindproduct dat als
beleidsinstrument kan worden ingezet, maar dat leidt niet tot
kennisvermeerdering. Wetenschappelijk hard bewijs levert het niet, maar het
is wel waardevol voor beleidsmakers.''

Kunt u een voorbeeld noemen?

,,In samenwerking met Geert Groot Bruinderink en Koen Kramer van Alterra
hebben we een model ontwikkeld over de vraag hoe de populatieontwikkeling
is van vrijlevende edelherten, Konik-paarden en Heck-runderen in de
Oostvaardersplassen. Vanuit Staatsbosbeheer kwam de vraag hoe bang ze
moesten zijn dat ze een populatiecrash zou krijgen. Dat was de
beleidsvraag. Die hebben we geprobeerd te beantwoorden met een model.
Wetenschappelijk gebruik van een model is iets anders. Dan kom je op de
meer basale vraag onder welke omstandigheden soorten naast elkaar kunnen
bestaan. Je kunt het model dan gebruiken om met gegevens te spelen. Wat
gebeurt er als we de helft van de populatie in het halve gebied laten
leven, of als we de helft van de dieren laten leven in een gebied half zo
groot maar met dezelfde plantenbiodiversiteit? Daar is de beleidsmaker niet
in geïnteresseerd, maar het is wetenschappelijk van cruciaal belang om te
onderzoeken hoe diersoorten in het landschap functioneren. Het leuke is
natuurlijk wel dat wij samen met Alterra zo'n model ontwikkelen.''

En wat ontdek je dan?

,,De kunst van natuurwetenschappelijk onderzoek is om de zaak dermate te
gaan versimpelen dat je het kunt toetsen. Uit het model blijkt dat de
grootte van een diersoort invloed heeft op de coëxistentie met andere
diersoorten. De populatie van de drie grote grazers in de
Oostvaardersplassen groeit en daalt niet lineair. Als je het gebied kleiner
maakt, zie dat opeens de koe eruit valt. Op een bepaald moment heb je
alleen nog paarden en herten over. Dat is raar. Dat had je niet uit
waarnemingen kunnen concluderen. Nou, dan heb je een hypothese. De
dierpopulatie is duidelijk niet alleen afhankelijk van het oppervlak van
het leefgebied, maar ook de grootte van de diersoorten is een parameter.
De beleidsmaker zijn we dan al lang vergeten, want het schalingsprobleem is
een hot issue in de ecologie. Ook de natuurbeschermingsimplicaties zijn
direct glashelder. Twee reservaten van tweeduizend hectare is dus niet
hetzelfde als een van vierduizend. En je sluit aan bij de discussie over de
Ecologische Hoofdstructuur, waarom dat grote aaneengesloten gebieden moeten
zijn. Een knetterharde toepassing.''

En de proefvelden?

,,Je moet de modellen toetsen, maar op de juiste schaal. Vraag het Marin
maar hoe klein een model mag zijn, wil het een echt schip simuleren. We
kunnen het niet toetsen op het niveau van de Oostvaardersplassen, want dan
krijg je te maken met Staatsbosbeheer en met de publieke opinie, maar ook
niet in een reageerbuis. Het kan wel op bedrijfsniveau, en dat is een hele
oude benadering, namelijk die van de proefboerderij.
Wat we vermoeden is dat paarden koeien helpen in het zoeken naar goed
verteerbaar voedsel. Paarden verteren via de dikke darm, en kunnen daardoor
lagere kwaliteit gras aan. Koeien hebben een pensvertering, en kunnen
dankzij de paarden bij het malsere gras. In de bush doen olifanten of witte
neushoorns hetzelfde als de paarden. Op een proefveld kun je die - wat wij
noemen - facilitatie toetsen. We hebben nu op de Bennekomse Meent op drie
velden koeien en konijnen grazen. Dit experiment wordt gecombineerd met een
graasexperiment bij Canadese ganzen om te kijken hoe verschillend kleine en
grote ganzen grazen, en een voerexperiment.''

En daarom zijn proefvelden onontbeerlijk?

,,Dat kun je niet achter de computer, en niet in het lab. De juiste schaal
is de hectareschaal, maar ik heb wel minimaal vier jaar absolute zekerheid
nodig. En we zijn bij de Bennekomse Meent zeker dat er nooit pesticiden
gebruikt zijn. Dan hoef je ook niet bang te zijn dat de konijnen in het ene
veld dood gaan aan allerlei troep die in de grond zit.''
Martin Woestenburg

Herbert Prins: ,,We kunnen modellen niet toetsen op het niveau van de
Oostvaardersplassen, maar ook niet in een reageerbuis. Het kan wel op
bedrijfsniveau en dan komt je uit bij een proefboerderij’’ | foto Guy
Ackermans

Re:ageer