Organisatie - 13 september 2007

Echte vrienden

‘Heerlijk’, verzucht burgervader Geert van Rumund. ‘Een goed gesprek over vastgoed, grondprijzen en bouwprojecten met mijn vriend Tijs Breukink.’
‘Gezelliger dan mij heb je ze niet’, beaamt Breukink. In de zonverlichte eetzaal van Hotel De Wereld nipt de mathematische wonderjongen van Wageningen UR van zijn glaasje water, knipogend tegen het zonlicht dat reflecteert in Van Rumunds ambtsketen.
‘Bovendien mag ik graag een vorkje prikken’, zegt Van Rumund. ‘Prik!’
‘Dat was mijn linkerhand, amice’, zegt Breukink.
‘Ik verkeerde potverdorie in de veronderstelling dat ik aan het zeebanket begon’, verontschuldigt de burgemeester zich. ‘Heb ik je pijn gedaan?’
‘Een beetje maar’, zegt Breukink. ‘Het lijkt erger dan het is. Het bot is niet geraakt.’
‘Mijn excuses, goede vriend. Ik ben ook zo onhandig.’
‘Ik ook, beste vriend, ik ook’, zegt Breukink. ‘Nou stoot ik per abuis de schaal met kaassaus in je schoot. Ik zal meteen deze fles witte wijn over je uitgieten. Tegen de brandwonden.’
‘Ik prijs me gelukkig met een vriend als jij’, zegt Van Rumund. ‘Ik zie dat dit jou meer pijn doet dan mij. De tranen biggelen over je wangen.’
‘Dat komt ook een beetje door de pepperspray die je in m’n gezicht hebt gespoten, beste Geert.’
‘Er zat een bromvlieg op je neus’, zegt Van Rumund. ‘En een Van Rumund staat niet toe dat onhygiënische stekebeesten zijn kameraad Breukink tot last zijn.’
‘Bij jou zit er nou ook één, beste Geert’, huilt Breukink. ‘Pak aan, rotvlieg.’
Van Rumund grijpt naar zijn neus.
‘Had je hem?’, vraagt de burgervader.
‘Ik kan het niet goed zien’, zegt Breukink met knipperende ogen. De boomlange bestuurder leunt achterover, en dept zijn ogen met een servet.
‘Weet je wat ik niet snap, Tijs?’, vraagt Van Rumund.
‘Nou?’
‘Hoe komen al die mensen toch op het rare idee dat wij ruzie hebben?’
‘Al sla je me dood’, zegt Breukink.

Re:ageer