Wetenschap - 22 oktober 2009

Dwars door Noord-Korea

Drie Wageningse onderzoekers waren in augustus een week in Noord-Korea. Maarten Jongsma, Evert Jacobsen en Siert Wiersema zaten vooral in een busje, 2400 kilometer heen en weer naar een afgelegen aardappelinstituut. Onderweg kwamen ze discodansers tegen en vrachtauto's die op hout rijden, is te lezen in het dagboek dat Maarten Jongsma bijhield. En ze deden een opmerkelijke ontdekking: de Noord-Koreanen hebben aardappels ontwikkeld die resistent zijn tegen Phytophthora.

Proefvelden bij het aardappelresearchcentrum in Taehongdan
Maandag 10 augustus
'We zijn aangekomen op het vliegveld van Pyongyang, de hoofdstad van Noord-Korea. Ik twijfel of ik mijn mobiele telefoon bij me kan houden. Het hoofd van het Rode Kruis hier heeft me in het vliegtuig verteld dat er alleen lokale mobieltjes zijn toegestaan, waarmee buitenlanders alleen elkaar kunnen bellen. Ook zijn er mobieltjes waarmee Noord-Koreanen alleen elkaar kunnen bellen. Een soort hardware-beveiliging tegen de gevreesde directe communicatie van de eigen bevolking met de buitenlanders hier. De vorige twee keer heb ik mijn mobieltje met een smoes kunnen laten passeren, maar dit keer moet ik beide telefoons inleveren. Zo kom ik ook zonder horloge en wekker te zitten.
Begeleider Jon en onderzoeker Jo wachten ons op. Zij en chauffeur Ham zullen met ons meereizen naar het aardappelinstituut. Er blijkt geen four-wheel drive beschik­baar te zijn voor onze reis. Het Toyota-busje dat de klus moet klaren is oud met vier rondjes op de teller. We hopen maar dat het zonder pech zal gaan lukken. De rit heen en terug gaat vijf dagen duren. Een belangrijk deel van de kustweg naar het noorden is onverhard, wordt ons verteld.
Tot onze teleurstelling horen we dat de tegen Phytophthora resistente rassen uit Nederland hier in Korea toch last hebben van de lokale variant van de ziekte. We moeten ons plan om deze rassen als uitgangspunt te nemen voor een EU-project nu aanzienlijk bijstellen.
Dinsdag 11 augustus
Een goed ontbijt genoten: toast met een klein kopje oploskoffie, jam, boter, gebakken aardappelen en een pannenkoekje. Op de rand van Pyongyang neemt Jon nog
een keer onze paspoorten in om iets te regelen bij een kantoortje. Daarna in volle vaart naar de andere kant
van het Koreaanse schiereiland. We rijden langs ein­deloze landerijen met veldjes rijst en maïs. Daartussen soja
en zo nu en dan wat tabak en Koreaanse kool.
De betonweg is in slechte staat en achterin de bus zijn het gebonk en de herrie behoorlijk heftig. Onderweg zien we veel vrachtwagens met motorproblemen of lekke banden. We schatten dat bijna de helft langs de weg staat om een of ander te verhelpen. Op de hele tocht van 250 km hebben we geen benzinestation gezien.
Onze eindbestemming vandaag is de strandplaats Majon. We huren een villa van twee verdiepingen, maar daar blijkt geen water uit de kraan te komen. De badkuip staat vol koud water, maar het personeel zorgt later dat een grote teil met water wordt verwarmd met een dompelaar. Uiteindelijk nog prima gebadderd.
Daarna een strandwandeling gemaakt, plus een ontmoeting met op disco dansende jongeren uit Pyongyang -Mister, I already miss you. Je merkt dat ze graag met buitenlanders praten, maar dat er redenen zijn om dat niet al te enthousiast te doen.
Woensdag 12 augustus
Vandaag moeten we twaalf uur rijden om een afstand van 600 kilometer af te leggen. Bij het wegrijden valt op dat honderden mensen langs de weg bezig zijn de gevallen bladeren van het wegdek te vegen. We verbazen ons hoe deze mensen dat waarschijnlijk elke dag gemotiveerd blijven doen.
Al gauw rijden we nog uitsluitend op onverharde wegen. Hier zien we voortdurend mensen in groten getale in de weer om de door de regen gehavende weg te verbeteren. Iedereen is met scheppen en schrapers en nieuwe leem in de weer om het dek weer glad te strijken. We constateren dat deze onverharde weg veel beter rijdt dan de verharde weg met gaten, maar harder dan 70 kilometer per uur is niet haalbaar.
Het landschap is veel oorspronkelijker sinds we op de zandweg rijden. Elk stukje beschikbaar land wordt onvoorstelbaar efficiënt gebruikt. Bergen met hellingen van 50 procent worden zonder problemen beplant met maïs en soja. Er is nog maar een fractie van het autoverkeer dat we eerder hadden. Wel zien we des te meer mensen wandelend en fietsend op weg naar hun bestemming. Bij elke heuvel moeten de fietsers afstappen omdat de fietsen geen versnellingen hebben, maar ook omdat ze vaak zwaar beladen zijn met allerlei spullen. In het algemeen zie je al deze mensen serieus en vaak ook vrolijk hun plichten doen.
Technologisch is alles sterk verouderd. Door de schaars­te aan benzine zien we hier relatief veel vrachtwagens die op houtvergassing rijden. De wagens rijden in een enorme rookwolk en met een lading hout in de laadbak. Voortdurend is iemand bezig brandstof in de stookpot te gooien.
Uiteindelijk arriveren we in de havenstad Chongjin. Daar hebben we een hotel met warm water, een uur nadat de manager de verwarming ergens centraal heeft aangezet. We zijn de enige bezoekers. Tijdens het eten valt de elektriciteit een aantal keer uit, zodat we een minuut of wat in het pikkedonker zitten. Het is hier zo normaal dat het personeel even later doet alsof er niets aan de hand is.
Donderdag 13 augustus
Vandaag gaan we naar onze eindbestemming in Taehongdan, in het noordelijkste puntje van Noord-Korea. We komen in een veel ruiger gebied met meer bomen en passeren Musan, een stadje aan de grens met China, daarvan gescheiden door de Tuman-rivier. Gezien het probleem met de vluchtelingen die het land verlaten, hadden we verwacht een zwaar bewaakte grensovergang aan te treffen, maar nergens zijn prikkeldraad en waarschuwingen aangebracht. Je ziet zelfs mensen gezellig picknicken aan de ondiepe grensrivier.
Om half een arriveren we bij het aardappelresearchcentrum. Het heeft een indrukwekkende faciliteit voor het produceren van drie miljoen pootaardappelen (minitubers) per jaar. De medewerkers beschikken over diverse labs voor het uitvoeren van kwaliteits- en ziektemetingen en het in vitro vermeerderen van rasmateriaal. Verder hebben ze veertig hectare proefvelden, waar een veredelingsprogramma wordt uitgevoerd.
Hier staan de Nederlandse rassen dit jaar voor een proefveldvergelijking. De rassen Toluca en Bionica, die in Nederland nog vrijwel niet doorbroken zijn, blijken hier wel vatbaar voor de lokale Phytophthora. Wel lijken de symptomen minder heftig te zijn dan bij de vatbare rassen Raja en Desiree, die ernaast staan. Vervolgens laat de directeur de resultaten van zijn eigen veredelingsprogramma zien. Opvallend genoeg staan daar een aantal late rassen die nog volledig onaangetast zijn, ondanks de hoge lokale ziektedruk. Indrukwekkend. We spreken af dat we hun ras ook in Wageningen zullen testen.
Na twee uurtjes rondkijken moeten we alweer terug. Jon wil niet in het donker op deze moeilijke wegen rijden. Hij heeft gezorgd voor een lunch onderweg. Na enige twijfel besluit hij ons te laten eten aan de oever van de grensrivier. Daar genieten we wederom van een goede lunch met gebakken vis, gekookte gamba's, een salade van komkommer, tomaat, knoflook en ui en gebakken kip. We filosoferen wat over de Amerikaanse journalistes die vijftien jaar strafkamp kregen voor wat wij nu doen./Maarten Jongsma
Kader 1
Resistente aardappels
Begin 2009 importeerde Noord-Korea Nederlandse aardappelrassen met resistentie tegen de ziekte Phytophthora. Dit in het kader van een project van het ministerie van LNV. Deze ernstige aardappelziekte waart rond in het land van Kim Jong-il, dat geen bestrijdingsmiddelen kan importeren. Ruim dertig procent van de aardappels gaat verloren.
In augustus reisden dr. ir. Maarten Jongsma, Plant Research International, Evert Jacobsen, Laboratorium voor Plantenveredeling, en dr. ir. Siert Wiersema, Wageningen Interna­tional, naar Noord Korea. Doel van het bezoek was, te overleggen over een subsidieaanvraag bij de Europese Unie voor de ontwikkeling van resistente aardappels en het opzetten van beter veldmanagement.
'Tijdens ons huidige LNV-project doen twee Noord-Koreanen zes maanden onderzoek in Wageningen', aldus Jongsma. 'Als het EU-voorstel wordt goedgekeurd, komen er weer twee Noord-Koreaanse onderzoekers, ditmaal om een sandwich-PhD-traject te volgen. Zij hebben zelf resistente aardappelen ontwikkeld, maar zij kennen de bron van de resistentie niet. Dat gaan we met geavanceerde methoden uitzoeken in Wageningen. Ook komt geld beschikbaar om het laboratorium van onze partner beter in te richten en om voorlichting in Noord-Korea te geven over integrale ziektebestrijding in het veld.'
Kader 2
Wageningers zitten overal, óók in dictaturen
De internationale samenwerking van Wageningen UR is niet aan politieke grenzen gebonden. Noem een land of ze zijn er (geweest), ook in dictaturen en oorlogsgebieden. Zo was een Wageningse delegatie enkele maanden gele­den in Afghanistan toen de Taliban-kogels de Nederlandse militairen om de oren vlogen, werkt hoogleraar Ken Giller ­samen met onderzoekers in de failliete dictatuur Zimbabwe en was Niels Louwaars onlangs in Soedan om daar zaaizaadadviezen te verstrekken.
Richtlijnen zijn er niet, behalve de reisadviezen van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Landen met een negatief reisadvies worden gemeden, uitzonderingen daargelaten.
Is er dan echt geen land waar Wageningers niet komen? Myanmar? Ben Geerlings van Wageningen International kan even niemand verzinnen die daar de afgelopen jaren is geweest. Wageningse medewerkers bepalen zelf of ­samenwerking in zulke landen zin heeft, for quality of life.
Noord-Korea-bezoeker Maarten Jongsma:  'Ik vind dat je zonder meer moet samenwerken met collega's in een dictatuur als die samenwerking een humanitair karakter heeft, zoals de voedselvoorziening. Dat vinden ook organisaties als de FAO, de EU en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Samenwerking biedt tevens een basis voor toenadering en inzicht in andere standpunten.'

Re:ageer