Wetenschap - 20 augustus 2015

Draagvlak natuur moet kleurrijker

tekst:
Roelof Kleis

Etnische afkomst speelt een rol bij de beleving van natuur. Natuurorganisaties moeten daar meer rekening mee houden als ze het draagvlak voor hun werk willen vergroten.

Dat concludeert Marjolein Kloek in haar proefschrift  Colourful green, waarin ze verschillen onderzoekt in recreatief gedrag en natuurbeleving tussen Nederlandse jongvolwassenen van Turkse, Chinese en autochtone komaf. Kloek deed haar studie in opdracht van Staatsbosbeheer. Op dit moment is één op de vijf Nederlanders allochtoon, terwijl natuurbeheer vooral een ‘witte’ aangelegenheid is.

Kloek hield naast groepsgesprekken een uitvoerige enquête onder meer dan duizend jongvolwassen van 18-35 jaar. De resultaten zijn opmerkelijk. Maar één op de drie ondervraagde jongeren had in de afgelopen drie maanden buiten de woonplaats in het groen gerecreëerd. Het bezoek aan het stadsgroen lag hoger: de helft had wel eens in het stadspark gezeten, gewandeld, gefietst, gebarbecued of iets anders recreatiefs gedaan. 

De verschillen tussen de jongeren zijn evenwel aanzienlijk. Chinese Nederlanders bijvoorbeeld maken nauwelijks gebruik van de groene ruimte. Slechts 30 procent had groen binnen de woonplaats bezocht en maar 20 procent buiten de woonplaats. Dubbel zo veel Turkse en autochtone Nederlanders (40 procent) recreëerden  buiten de stad.  In de stad spannen de Turkse Nederlanders de kroon: liefst 70 procent van de jongeren gaf aan het afgelopen kwartaal in het stadsgroen te zijn geweest.

Etniciteit speelt dus, volgens Kloek, een rol. ‘Niet het feit dat je allochtoon bent is daarbij relevant, maar wat je culturele achtergrond is. Je kunt allochtonen niet over één kam scheren. Maar etniciteit is niet het enige. Iedere persoon heeft meerdere identiteiten. Je bent niet
alleen van Turkse of Chinese afkomst, je bent ook jongere of bijvoorbeeld natuurliefhebber.
Al die verschillende identiteiten bepalen hoe je over natuur denkt en hoe je natuur beleeft.’

Kloeks werk toont ook aan dat natuurorganisaties wel wat meer kleur kunnen gebruiken. Van de ondervraagde Turkse Nederlanders was maar een procent lid van een natuurorganisatie en had niemand het afgelopen jaar als natuurvrijwilliger gewerkt. De helft van hen bleek zelfs geen enkele natuurorganisatie te kunnen noemen. ‘Verontrustend’, zegt Kloek daarover. Overigens, ook één op de acht autochtone Nederlanders kon geen natuurclub noemen.

Ondanks die geringe bekendheid en actieve betrokkenheid vindt twee van de drie jongeren het wel belangrijk om de natuur te beschermen. Er is dus volgens Kloek voor natuurorganisaties werk aan de winkel om dat positieve gevoel om te zetten in actieve betrokkenheid. Kloek: ‘Staatsbosbheer is bezig een multiculturele jongerenraad op te zetten. Deze raad zal als klankbord worden ingezet bij bijvoorbeeld de inrichting van natuurgebieden. Dat kan helpen bij het creëren van draagvlak en het vergroten van de betrokkenheid bij
natuurbescherming.’ 


Re:ageer