Wetenschap - 1 januari 1970

Draagkracht Waddenzee neemt af

Een van de meest opvallende conclusies uit het evaluatieonderzoek naar de schelpdiervisserij EVA II is dat de draagkracht van de Waddenzee afneemt. Die conclusie is een resultaat van modelberekeningen van dr Bert Brinkman van Alterra en dr Aad Smaal van het Centrum voor Schelpdieronderzoek. De afnemende hoeveelheid voedsel voor mosselen en kokkels leidt op termijn tot problemen voor de vissers, maar is niet de primaire oorzaak van de vogelsterfte.

Met een stofstroommodel hebben de onderzoekers de nutriëntenketen in de westelijke Waddenzee doorgerekend. Van groot belang voor de keten is de toevoer van fosfaten, nitraten en silicium uit het IJsselmeer en de wisselwerking met de Noordzee. Uit de berekeningen bleek dat vooral de hoeveelheid fosfaten in de Waddenzee is afgenomen. Sinds de jaren tachtig is de toevoer van fosfaat uit het IJsselmeer en de Noordzee met ongeveer de helft afgenomen, en de hoeveelheid nitraten met ongeveer tien procent.
De afnemende toevoer van nutriënten zorgt ervoor dat de groeisnelheid van de algen in de Waddenzee afneemt, en daarmee de hoeveelheid schelpdieren die van die algen leven. ,,Het is een grotelijnenverhaal'', benadrukt Brinkman. Wat de onderzoekers met hun model uitrekenen is de maximale hoeveelheid schelpdieren die in de westelijke Waddenzee kan voorkomen. De daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid schelpdieren is altijd lager dan dit maximum, want die wordt mede bepaald door broedval, stormen, ijsgang, predatie en visserij.

Kweek
De resultaten van de modelberekening zijn van grote betekenis voor de toekomst van het ecosysteem in de Waddenzee. Het betekent dat, als er minder grote kokkel- en mosselbestanden komen, er minder kokkels en mosselen geoogst kunnen worden door zowel vogels als vissers. ,,Dit wordt min of meer ondersteund door de cijfers van door vissers in kweek gebrachte mosselen. De hoeveelheden mosselen zijn tegenwoordig, ondanks de verbeterde productiemethoden, lager dan twintig jaar geleden'', stelt Brinkman.
Er was voor het CEES-Symposium veel kritiek op de modelberekening van de draagkracht. De resultaten werden 'theoretisch' genoemd, omdat ze niet zouden overeenkomen met de metingen van andere onderzoekers. Volgens NIOZ-onderzoekers zou de hoeveelheid chlorofyl, als maat voor de hoeveelheid algen, niet zijn gedaald. Dat de daling van de hoeveelheid voedsel voor kokkels en mosselen een gevolg was van een dalende draagkracht noemde de criticasters een 'onhoudbare stelling'.

Algengehalte
Op het symposium haalde dr Jaap van der Meer van het NIOZ met een presentatie namens de EVA-onderzoekers en hun criticasters het vuur uit de discussie. Dat de meetgegevens die hij met zijn collega's verzamelde bij de steiger bij het NIOZ op Texel niet overeenkomen met de modelberekeningen van Brinkman en Smaal ligt niet aan tekortkomingen van de meetgegevens of het model - 'dat is state of the art', aldus Van der Meer - maar geeft alleen maar aan dat het model beter gekalibreerd en gevalideerd kan worden en dat de metingen beperkt zijn.
Volgens Brinkman zit er niet zoveel verschil tussen wat de NIOZ-onderzoekers hebben gemeten en wat hij en zijn collega hebben berekend. ,,De modelberekeningen voorspellen helemaal geen achteruitgang in algengehalte, wél een achteruitgang in primaire productie. En dat is beide vrij goed in overeenstemming met de metingen, voor zover beschikbaar.''
,,De metingen zijn niet te vergelijken met de modeluitkomsten'', stelt Brinkman. Daarvoor zijn verdere modelexercities nodig met bestaande gegevens over de kokkel- en mosselbestanden. Brinkman zou ook graag zien dat er meer gemeten wordt in de Waddenzee, want dat levert meer en beter vergelijkingsmateriaal op. Zo kunnen onderzoekers komen tot een betere afstemming van metingen en model.

Martin Woestenburg

Re:ageer