Wetenschap - 1 januari 1970

Docent Leffelaar wijst op het belang van een goede bèta-achtergrond

Docent Leffelaar wijst op het belang van een goede bèta-achtergrond


‘Studenten moeten stoeien met lange rekensommen’

Minister Van der Hoeven maakt een fundamentele fout, vindt dr Peter
Leffelaar, docent bij de leerstoelgroep Plantaardige productiesystemen. De
minister wil de tweede fase in het middelbaar onderwijs verlichten door de
hoeveelheid exacte stof te verminderen. In het profiel natuur en gezondheid
verdwijnt natuurkunde in zijn geheel.

,,Ik snap niet waarom de VSNU en middelbare scholen niet hebben gekeken of
het aantal individuele opdrachten minder kon in plaats van een vak eruit
gooien. In kranten heb ik daar niks over gelezen. Dat is een gemiste
kans.'' Leffelaar vindt dat scholieren veel te veel van die individuele
opdrachten en werkstukken voor hun kiezen krijgen. Hierdoor kunnen ze de
motivatie niet opbrengen om werkstukken allemaal zelfstandig te maken. Als
reactie grazen ze het internet af op zoek naar bruikbare teksten, ten koste
van de eigen creativiteit. ,,Door de pc's op middelbare scholen wordt er
veel gegoogeled en ge-altavista'd. Leraren die zelf veel op het internet
zitten zien zo dat het gepikt is.''
De exacte vakken moeten volgens Leffelaar gehandhaafd blijven, omdat deze
de creativiteit stimuleren en scholieren motiveren om zelfstandig na te
denken. Daarom moet ook in Wageningen niet teveel worden gesneden in het
bèta-aanbod van de bachelorfase. Zeer tegen de zin van Leffelaar is dit
echter al gebeurt. ,,Voor Plantenwetenschappen is het wiskunde-aanbod in
het tweede en derde jaar nogal afgezwakt. Natuurkunde is volkomen
gemarginaliseerd.''
Tijdens de systeemanalysecursus voor derdejaars ervaart hij daar de
consequenties van. Als docent vallen hem steeds vaker de schrikreacties op
van derdejaars studenten wanneer hij met 'te' wiskundige problemen aan komt
zetten. Ook van collega’s hoort hij dergelijke geluiden.
In het bestuur van onderwijsinstituut Levenswetenschappen heeft hij daarom
hard zijn best gedaan om meer bètavakken in de propedeuse van de opleiding
te krijgen. ,,Keer op keer kreeg ik echter te horen dat het programma al te
vol zit. Maar volgens mij is het gewoon een kwestie van prioriteiten
stellen.''
Nu zijn de eerste studiejaren niet uitdagend genoeg. Dat hoort hij ook van
andere docenten. Studenten moeten vooral veel inhoudelijke zaken leren en
worden te weinig gestimuleerd om zelf na te denken en creatief te zijn.
Leren 'stoeien' met lange rekensommen is er niet meer bij.
Ondanks de dalende achtergrondkennis van zijn studenten is Leffelaar niet
van plan zijn vakken aan te passen. ,,Ik heb gezegd dat ik absoluut het
niveau niet naar beneden wil halen. Dat betekent dat sommige studenten het
niet voor honderd procent zullen snappen of er meer tijd in moeten
steken.''
Deze studenten vragen wel extra aandacht van de docenten, wat ten koste
gaat van de tijd die in anderen kan worden gestoken. Dit probleem zal
helemaal duidelijk worden als de nieuwe opleidingen van start gaan, denkt
Leffelaar. De opleidingen moeten scholieren met gammaprofielen trekken,
maar ook deze studenten moeten toch enige exacte vaardigheden opdoen.
,,Zoveel mogelijk studenten trekken is leuk voor de financiën, maar je moet
je wel realiseren dat we studenten binnenkrijgen die niet geïnteresseerd
zijn in bèta. Docenten krijgen het probleem dat ze die studenten moeten
helpen bijspijkeren. Ik denk dat dat probleem wordt onderschat.''
Ondanks de dalende belangstelling voor bèta-opleidingen zijn er ook nog
steeds erg gemotiveerde studenten. Volgens Leffelaar zijn dat vooral de
studenten die uit idealisme worden gedreven. In Wageningen zijn het veelal
degenen die zich op de tropen richten. Ook zij lopen wel eens tegen
moeilijke vakken aan, maar zorgen dan dat ze het hiaat in hun kennis
opvullen. Nederlandse studenten hebben snel door hoe ze zelfstandig kunnen
bijspijkeren.
Voor buitenlandse studenten is dit een heel ander verhaal. Waar Nederlandse
studenten over het algemeen een goede 'standaard' vwo-opleiding konden
genieten is de exacte kennis van buitenlandse studenten niet altijd
vergelijkbaar. Het komt dan ook regelmatig voor dat zij de stof niet
begrijpen. ,,Buitenlandse studenten hebben niet altijd zo'n goede
achtergrond. Wel zijn zij erg gemotiveerd, dat moet ook wel als je zo 'gek'
bent om van weet ik waar vandaan naar Wageningen te komen.''
Ondanks die motivatie is het voor buitenlandse studenten moeilijk om
zelfstandig bij te spijkeren, want de meeste relevante leerboeken zijn in
het Nederlands. De universiteit moet deze studenten tegemoet komen, meent
Leffelaar. ,,De universiteit moet Engelstalige bijspijkercursussen aan gaan
bieden, bijvoorbeeld summer courses.''
Maar liever nog ziet hij dat de toelatingseisen strenger worden, zodat
bijspijkercursussen helemaal niet nodig zijn. Momenteel worden studenten
van een aantal universiteiten zondermeer toegelaten. Dat vindt hij een
slecht systeem, want het blijft moeilijk om in te schatten hoe sterk
iemands bèta-achtergrond is. ,,Je moet de studenten al in eigen land
toetsen in plaats van te zeggen dat er goede en slechte universiteiten
zijn. Ze moeten minstens het vwo-niveau hebben.'' In het verleden werden
dat soort testen wel afgenomen, toen Wageningen nog maar enkele
Engelstalige MSc-opleidingen had. De toelatingseisen die toen golden waren
helemaal zo gek nog niet, vindt Leffelaar. ,,We moeten een beetje terug
naar af.''
In zijn ogen is het van belang dat studenten voldoende bèta-achtergrond
hebben, want dit stimuleert de creativiteit en het rekenkundig inzicht.
,,Als je het kwantitatieve denkvermogen van mensen optimaal tot bloei wil
laten komen moet je hier zo vroeg mogelijk mee beginnen.''
Volgens Leffelaar is er een grote behoefte aan mensen die hun kwantitatieve
vermogens kunnen toepassen op maatschappelijke problemen. Het
voedselvraagstuk bijvoorbeeld: terwijl wetenschappers lange tijd dachten
dat de voedselproductie al behoorlijk aan zijn taks was, toonde professor
Cees de Wit in 1965 aan de hand van berekeningen van de hoeveelheid
straling op aarde en de snelheid van de fotosynthese aan dat de opbrengst
nog flink omhoog kon. Leffelaar: ,,Dat soort vraagstukken moet je in eerste
instantie kwalitatief beschouwen, maar uiteindelijk is het belangrijk dat
je er ook cijfers aan kan hangen.''
Er moet dus wat veranderen in het bèta-onderwijs, maar dat is lastig, want
de interesse is overal laag. Ook de lerarenopleidingen trekken maar weinig
bèta-studenten. ,,Als dat niet vlug aantrekt, gaat het bèta-onderwijs nog
meer achteruit. Dat Nederland een kennisland is kan je dan niet meer
zeggen.''
Maar minister Van der Hoeven gaat haar plan doorzetten en wil dat
scholieren desgewenst exacte vakken als vrije keuze kunnen doen. Leffelaar
vraagt zich echter af of hier animo voor zal zijn, want die vakken worden
nou eenmaal als te moeilijk en als weinig interessant gezien.
Op dit punt moeten docenten de hand ook in eigen boezem steken. ,,We moeten
de maatschappelijke relevantie van bètavakken beter zichtbaar maken.''
Leonie Mossink

Docent plantaardige productiesystemen dr. Peter Leffelaar: ,,We moeten een
beetje terug naar af.''

Re:ageer