Wetenschap - 3 oktober 1996

Dispuut over de trek van de kolgans

Dispuut over de trek van de kolgans

Vier jaar geleden concludeerde de Groningse promovendus Ebbinge dat het aantal kolganzen in Nederland stijgt door de afname van de jacht. Deze maand toont LUW-promovendus drs J.H. Mooij aan dat het totale aantal ganzen niet stijgt; ze verleggen alleen hun overwinteringsgebied van Oost- naar West-Europa. Ebbinge betwijfelt dat ernstig en de begeleider van beide onderzoekers, hoogleraar Drent, weet het eigenlijk niet. De wetenschappelijke zoektocht naar de trek van de kolgans is nog niet ten einde.


Binnenkort verschijnen ze weer aan de horizon. De gakkende ganzen die in V-formatie overvliegen op zoek naar een slaapplaats of voedsel. Ze komen van de broedgebieden in Scandinavie, Noord-Rusland en Siberie om hier te overwinteren en hun buik rond te eten aan de vegetatie van de groene Hollandse weiden. De brand- en de rotganzen prefereren de zilte weides aan de kust. De kolgans, de rietgans en de grauwe gans trekken naar de weilanden en akkers in het binnenland.

De laatste decennia is hun aantal in West-Europa sterk toegenomen. Zo werd Nederland in de jaren zestig door honderdduizend ganzen bezocht en in de jaren negentig door meer dan een miljoen. Eenzelfde explosieve ontwikkeling is te zien in Duitsland, Frankrijk en Engeland, alhoewel Nederland toch het meest bezochte land is en bijna een soort ganzenparadijs begint te worden.

De kolganzen zijn in Nederland het meest talrijk: ze klommen op van veertigduizend in 1960 naar 480 duizend in 1995 en vormen daarmee bijna de helft van de totale populatie overwinterende ganzen in Nederland.

Tot nu toe wordt aangenomen dat de explosieve toename van de ganzen is te danken aan de verminderde jacht in Europa en Rusland. Dat was althans de conclusie van dr B.S. Ebbinge, die in 1992 promoveerde bij prof. dr R.H. Drent van de Rijksuniversiteit Groningen op de factoren die de populatie van de rot-, de brand- en de kolgans beperken. Maar het lijkt erop dat zijn conclusie aan het wankelen wordt gebracht.

Verschuiving

Drs J.H. Mooij, die op 18 oktober promoveert bij dezelfde Groningse hoogleraar en prof. dr C.W. Stortenbeker, de Wageningse emeritus-hoogleraar Natuurbeheer, komt namelijk wat betreft de kolgans met een geheel andere verklaring voor de explosieve toename in West-Europa. Mooij heeft bij het Duitse biologische station in Kreis Wesel onderzoek gedaan naar de populatie kolganzen in het Duitse Nordrhein-Westfalen. Volgens hem is de toename in West-Europa te danken aan een verschuiving van de trek van Zuidoost-Europa, Turkije en de Kaspische Zee naar West-Europa. De totale populatie kolganzen die broedt in West-Siberie (voornamelijk op het schiereiland Taimyr) schommelt volgens hem al sinds de jaren vijftig rond de miljoen stuks.

Als je de beschikbare tellingen in Oost-Europa en West-Europa naast elkaar legt, zie je heel mooi dat de aantallen in Zuid-Europa en Turkije afnemen, terwijl de aantallen in West-Europa evenredig toenemen", aldus de promovendus. Tot nu toe werd aangenomen dat ganzen heel honkvast zijn en altijd weer naar dezelfde stek teruggaan. De West-Europese en Oost-Europese populaties zouden volstrekt gescheiden van elkaar leven. Maar ik heb sterke aanwijzingen dat het een grote samenhangende populatie is, die op zoek gaat naar de beste graasgebieden in Europa. Ganzen zijn veel flexibeler dan we dachten."

De toename in West-Europa verklaart hij vervolgens met het feit dat de graslanden in West-Europa sinds de jaren vijftig sterk bemest zijn. De ganzen hebben waarschijnlijk op een gegeven moment ontdekt dat deze landbouwgebieden veel voedzamer zijn dan die in Oost-Europa. De toename van de ganzen gaat gelijk op met de intensivering van de landbouw en stikstofbemesting in West-Europa", aldus Mooij.

Gat

Bovendien, voert Mooij aan, vinden Russische biologen al decennia lang een zelfde aantal kolganzen in het broedgebied. Die gegevens zijn pas de laatste jaren goed beschikbaar gekomen door het verdwijnen van het IJzeren Gordijn", aldus Mooij. Toen Ebbinge onderzoek deed, was het veel moeilijker deze gegevens boven tafel te krijgen." De jacht in Rusland is helemaal niet afgenomen; er worden nog steeds zo'n tweehonderdduizend ganzen per jaar geschoten. Officieel zijn ze daar sinds de jaren zeventig mee gestopt, maar ik heb van Russische biologen vernomen dat die jacht in werkelijkheid altijd is doorgegaan. De veronderstelling dat de populatie is toegenomen door de verminderde jacht in Rusland, zoals Ebbinge doet, klopt dus volgens mij niet."

Maar Ebbinge, thans hoofd van de afdeling Zee- en kustvogels bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO), blijft vasthouden aan zijn conclusies. Ik vind de verklaring van Mooij niet overtuigend. Ten eerste zit hij met een gat in de gegevens van een decennium. De afname in Oost-Europa ging eerder in dan de toename in West-Europa en de vraag is waar die ganzen toen verbleven. Bovendien zijn de tellingen in Oost-Europa uiterst gebrekkig en onbetrouwbaar. Daarnaast zijn de rot- en de brandganzen evenveel toegenomen als de kolganzen. En bij deze ganzen is heel duidelijk bewezen dat het door een afname van de jacht komt. Dus waarom zouden de kolganzen daarvan afwijken? Dat vind ik niet logisch. De toename van de drie ganzensoorten was in de jaren zeventig heel geleidelijk en heeft veel weg van een groeicurve."

Ebbinge, die momenteel de aantalfluctuaties van brand-, rot- en kolganzen modelleert voor het ministerie van LNV, vervolgt: Normaliter sturen jagers in Rusland die een gans schieten, de ringen terug naar de onderzoekers, zodat zij een schatting kunnen maken van de levensloop van de ganzen. Maar het aantal teruggestuurde ringen is sterk afgenomen sinds de jaren zeventig. Dat lijkt mij een bewijs voor de afgenomen jacht. Nu kan het zijn dat de jagers de ringen niet meer opstuurden, omdat de jacht illegaal werd. Dat kan ik niet uitsluiten. Maar toch vind ik de verklaring niet zo overtuigend."

Archief

Volgens de begeleider van beide promovendi, de Groningse hoogleraar Drent, is het moeilijk uit te maken wie hier nu gelijk heeft. De basisgegevens voor het onderzoek zijn onbetrouwbaar, vooral die uit Oost-Europa. Hij denkt dat extra onderzoek de enige mogelijkheid is om de juiste verklaring te vinden. We moeten weer het archief induiken en de ringgegevens opnieuw analyseren, zodat we een beter inzicht krijgen in de populatieontwikkeling. De mortaliteit en levensverwachting van de ganzen kan sinds een aantal jaren nauwkeurig worden geschat, door verbeterde computerprogramma's. Hierdoor kunnen we een reconstructie maken van het verleden en de gebrekkige basisgegevens van met name de Oost-Europese aantallen compenseren. We hebben het ministerie van LNV om subsidie gevraagd."

Voor de vogeljacht in Nederland is deze academische discussie van groot belang. In Nederland is de jacht op de kolgans, de rietgans en de grauwe gans toegestaan, mits deze tussen zonsopgang en tien uur 's ochtends plaatsvindt voor 1 februari. Dit in tegenstelling tot de jacht op de rotgans en de brandgans, die als sinds de jaren vijftig is verboden.

De jagers gaan uit van het wise use-principe en romen ieder jaar een bepaald percentage van de kolganspopulatie af. Midden jaren zeventig werden nog dertigduizend kolganzen afgeschoten, in de jaren negentig steeg dit aantal tot honderdduizend. Omdat de totale populatie niet groeit, is deze toenemende jacht volgens Mooij bedreigend voor het voortbestaan van de kolgans en dient deze dan ook onmiddellijk te worden gestopt.

Schade

De nieuwe Flora- en faunawet, die nog door de Tweede Kamer moet worden aangenomen, verbiedt de jacht op alle ganzensoorten. Maar in de praktijk mag de jacht wel doorgaan als de ganzen schade toebrengen aan akkers of weilanden.

En het is een feit dat er jaarlijks meer ganzen op boerenakkers en -weilanden neerstrijken die schade toebrengen aan het gewas. De ganzen eten de jonge blaadjes van de wintertarwe of grazen het gras voor de koeien weg. Thans keert het ministerie van LNV jaarlijks 3,5 miljoen uit om de boeren te compenseren voor het leed.

Maar volgens Mooij bestaat er geen directe relatie tussen het aantal ganzen dat een weiland bezoekt en de gewasschade. De jacht draagt daarom niet bij aan de vermindering van de schade die ganzen aanrichten. Ganzen zoeken altijd naar een optimale balans tussen energieopbrengst en energieverbruik. Als het grazen te weinig energie oplevert, trekken ze weer verder naar een volgend weilandje. En dat is, zo blijkt uit mijn onderzoek, net onder de grens waarbij ganzenschade optreedt. Pas als je ze regelmatig gaat verstoren door ze te bejagen, trekken ze naar een rustig gebied dat minder optimaal is qua voedsel. En dan treedt ganzenschade op. Mijn advies is dan ook om een ganzenreservaat in te richten dat groot genoeg is voor alle ganzen die het land bezoeken. Dat kunnen gewoon weilanden van boeren zijn, die je daarvoor een gedoogpremie uitbetaalt. Dan heb je het ganzenprobleem vrijwel opgelost. In de niet-reservaatgebieden kunnen de boeren de ganzen gewoon verjagen."

Re:ageer