Wetenschap - 31 oktober 1996

Discussie over landbouwwetenschappen in 2010

Discussie over landbouwwetenschappen in 2010

De Landbouwuniversiteit moet zich de komende tien jaar verder specialiseren, meer verbanden leggen tussen vakgebieden en meer samenwerken met niet-landbouwkundige instellingen in binnen- en buitenland. Dat stelt de verkenningscommissie van NRLO en OCV. Keuzes maken in het onderzoek valt niet mee, bleek tijdens een discussie; in het onderwijs is dat makkelijker.


Op 25 oktober bevond het epicentrum van de Wageningen reshuffle zich boven op de Wageningse Berg. In het AMEV-gebouw kwamen zo'n vijftig genodigden praten over de toekomst van de Landbouwuniversiteit, naar aanleiding van een verkennende studie van de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) en de Overlegcommissie Verkenningen (OCV) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. In het gezelschap enkele externe deskundigen en studenten, maar toch voornamelijk bobo's uit de landbouwstad.

De niet-Wageningers hadden scherpe commentaren. Zo wees OCV-voorzitter dr A.D. Wolff-Albers op de naar binnen gerichte cultuur in Wageningen: er wordt onderling veel geanalyseerd, maar slechts zelden worden buitenstaanders daarbij betrokken. Daardoor is de LUW te gesloten en heeft de universiteit het onderwijs en onderzoek te veel verkaveld. Voorts ontbeert de LUW een helder research-management en een duidelijke visie, stelde Wolff-Albers. Ze meende dat kwaliteit de doorslag moet geven in het onderzoek en dat de bestuurlijke visie ertoe moet leiden dat de universiteit sneller maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen oppakt.

Het rapport Wageningen in profiel van OCV en NRLO stelt dat de LUW moet kiezen uit twee werkvelden: de voedselketen of de groene ruimte. TNO-topman prof. dr ir A. Rorsch, voorzitter van de NRLO, is sterk voorstander van zo'n keuze. U moet zich goed realiseren dat dit een verkenning is en dat we ons de situatie in 2010 inbeelden. De concurrentiepositie van de universiteit wordt bedreigd door de snelle ontwikkeling van research and development, met name in Aziatische landen als China en India. Bedrijven verplaatsen hun onderzoekafdelingen naar ginds. De innovatie gaat door en alleen de kwalitatief sterke onderdelen hebben een kans om te overleven."

Rorsch meende dat Wageningen meer toponderzoekers uit het buitenland moet aantrekken om wetenschappelijk voorop te kunnen lopen. Daarna komen de studenten en onderzoekopdrachten vanzelf. Hij bepleitte tevens een nationale en internationale krachtenbundeling met zusterinstellingen, zowel binnen als buiten de landbouwwetenschappen. En wel op het gebied van de agribusiness en voeding; de groene ruimte heeft wat hem betreft een lagere prioriteit in 2010.

Evenwicht

Rorsch kreeg bijval van dr ir O.M.B. de Ponti, directeur Onderzoek van zaadveredelaar Nunhems Zaden, maar de overige deelnemers vonden deze keuze te absoluut. Zo koos DLO-directielid dr D. van Zaane ook voor onderzoek naar de groene ruimte, omdat er een nieuw evenwicht gevonden moet worden tussen landbouw, milieu, natuur en recreatie. De universiteit moet de rol van integrator spelen en de aanwezige kennis via interdisciplinair onderzoek bijeen brengen.

Als een van de weinigen noemde Van Zaane ook vakgebieden die buiten de werkvelden vallen: het milieu-onderzoek moet beperkt worden, het technologische accent van de LUW moet kleiner en het onderzoek naar huishoudelijke apparaten kan verdwijnen.

Een aardige dissonant tijdens de discussie kwam van dr ir Y. Rietjens, biochemicus en universiteitsraadslid bij de LUW. Zij beklaagde zich over de toenemende invloed van de industrie op het onderzoek. Dat is goed voor de bv Nederland, maar het is geen taak van de universiteit." Zij vond samenwerking met andere universiteiten ook belangrijk, maar wees erop dat dit alleen lukt bij wederzijds belang. Nu de budgetten krimpen en de bestuurders taken willen verdelen, ontbreekt de tijd voor en het belang van samenwerking steeds vaker, meende Rietjens.

Ook gaan de voorstanders van onderzoekssamenwerking er volgens Rietjens aan voorbij dat het onderzoek wordt uitgevoerd door promovendi. Die mogen na vier jaar elders solliciteren, omdat er geen plek is aan de universiteit. Het is leuk dat ik na tien jaar nog steeds een van de jongsten ben op deze universiteit, maar de belangrijkste taak van de bestuurders lijkt mij dat ze meer jonge mensen gaan aanstellen."

Op dit soort praktische problemen zat dagvoorzitter prof. dr F.A. van Vught, binnenkort rector van de Universiteit Twente, echter niet te wachten: er dienden strategische keuzes gemaakt te worden.

De eerste keuze, die tussen de werkvelden agribusiness en groene ruimte, leidde tot een mathematisch compromis. De meerderheid bedacht dat beide thema's behartigd moeten worden, maar dat de kern van de LUW op het kruispunt van deze werkvelden ligt. Enkele deelnemers veranderden dit kruispunt nog in een kubus of kegel, maar daarmee was de kous af.

Expertise

Bij de geo-focus van de LUW - waar in de wereld moet ze onderzoek verrichten? - kwam wel een conclusie bovendrijven. Volgens prof. dr L.O. Fresco moet Wageningen zich de problematiek van het mondiale klimaat en de wereldvoedselvoorziening aantrekken. Met die expertise zit de universiteit volgens de hoogleraar Plantaardige productiesystemen per definitie over de hele wereld. De LUW dient daarbij echter voortdurend samen te werken met partners, zoals andere Europese universiteiten en de internationale agrarische instituten van het CGIAR. Het onderhouden van een zelfstandig steunpunt, zoals in Costa Rica, moet de universiteit dus opgeven.

De proceskundige en LUW-onderwijsdirecteur prof. dr ir J. Tramper vond Fresco te idealistisch. Hij stelde een zakelijke keuze voor: richt je op de booming business in Azie en bijvoorbeeld op Polen - Er is daar veel dynamiek en vitaliteit - en laat de rest zitten. Maar daar was LUW-onderzoekdirecteur prof. dr E.A. Huisman het niet mee eens. Ik ben blij met het elan van Fresco. We moeten thematische keuzes maken en samenwerken in internationale onderzoekprogramma's."

Dat standpunt heeft ook gevolgen voor het onderwijs. Volgens Fresco moet de LUW niet langer typische tropenstudies verzorgen - het onderscheid westen versus tropen is al jaren achterhaald - maar studenten opleiden die overal inzetbaar zijn. Think globally, act locally, was haar adagium. Zij kreeg bijval van LUW-rector Karssen, die een oplossing wil voor het dilemma dat de tropenstudies populair zijn onder studenten, maar een slechte arbeidsmarkt kennen.

Verpauperingsmodel

Tot slot wilde de voorzitter weten of de universiteit zich moet concentreren op de tweede fase. Daarmee wordt meestal de PhD-fase bedoeld, ofwel het promotieonderzoek. LUW-productie-ecoloog prof. dr ir R. Rabbinge wil meer geld voor promoties en minder voor reguliere opleidingen. De huidige financiering van het LUW-onderwijs, waarbij de studentenbelangstelling de budgetverdeling stuurt, is bij afnemende aantallen studenten een verpauperingsmodel, aldus Rabbinge.

De meest praktische kritiek op zijn voorstel kwam van ir N. de Jong van het Wagenings aio-overleg. Zij had geen behoefte aan meer aio's en oio's, omdat de kansen op een baan daarna alleen maar slechter worden. Bovendien kan de toelating van meer aio's leiden tot kwaliteitsverlies, omdat de selectie dan minder streng is en de staf minder begeleidingstijd heeft per promovendus. Voorts komt de helft van de Wageningse promovendi uit de eigen kweekvijver, zodat de kwaliteit van het onderzoek sterk afhangt van een sterke eerste fase, analyseerde De Jong.

Prof. dr ir L. Speelman, voorzitter van de vaste commissie onderwijs van de LUW, was tegen het uitkleden van de eerste fase, verwachtte geen verdere daling van het aantal studenten en noemde Rabbinge's voorstel onnozel. Rorsch was voor een versterking van de tweede fase, maar je moet als onderzoeker eerstejaars studenten blijven doceren". Tramper vond dat we moeten ophouden met het promoten van het Amerikaanse BSc/MSc-systeem. We hebben een sterke ingenieursopleiding nodig en moeten de afname van studenten niet accepteren."

Ook rector Karssen zag niets in het nieuwe model van Rabbinge. We hebben de eerstefaseopleidingen nodig en het risico van te veel promovendi is dat de kwaliteit daalt." Wel vindt Karssen dat er te veel ingenieurs- en MSc-opleidingen zijn op dit moment. Hij denkt aan fusies van opleidingen, zodat het aanbod voldoende breed blijft. Op het gebied van het onderzoek ziet de rector meer mogelijkheden voor inhoudelijke keuzes en het afstoten van vakgebieden.

Re:ageer