Wetenschap - 1 januari 1970

Diertaxonomen onderzoeken ontbindende kadavers

De argeloze wandelaar liep de afgelopen zomer de kans in de buurt van Rheden enkele dode zwijnen bedekt met maden, kevers en vliegen tegen te komen. Wel met een hekje eromheen. En ergens in de buurt een tentje met twee studenten van de leerstoelgroep Diertaxonomie Wageningen.

Het laten liggen van dood hout in bossen wordt al geruime tijd toegepast als methode om het ecosysteem ter plaatse op peil te houden. Insecten, paddenstoelen en vogels varen er wel bij; de natuurlijke diversiteit neemt toe. Verwijderen van dode bomen betekent habitat weghalen. Maar over het laten liggen van dode dieren is nog niet zo veel bekend.
Ir Theodoor Heijerman van Diertaxonomie begeleidt studenten die onderzoek doen naar de soorten insecten die op een kadaver voorkomen en bijdragen aan zowel de 'opruiming' alsook de biodiversiteit. ,,Met dit onderzoek wilden we precies zien hoe het proces van begin tot eind in zijn werk gaat'', vertelt hij. ,,Welke insecten en hoeveel soorten dragen bij aan de verdwijning van een dood dier. Hoe leveren ze een bijdrage aan de biodiversiteit? Hoe kan je dat het beste onderzoeken; welke vangmethoden pas je toe?''
Twee dode zwijnen werden, nadat ze die dag waren afgeschoten, op de Veluwezoom in de buurt van Rheden neergelegd. Het ene dier op een beschutte, bosachtige plek, het andere in een open ruimte. Van augustus tot oktober bivakkeerden twee studenten in een klein tentje in de omgeving van de twee kadavers. Het was een stukje besloten terrein, zodat andere dieren geen toegang kunnen krijgen. Heijerman: ,,Zwijnen trekken hun soortgenoten uit elkaar en eten ervan; ook vossen en raven eten van kadavers. Wij waren nu alleen geïnteresseerd in de effecten van de insecten op het ontbindingsproces.''
Het onderzoek dat Heijerman de studenten liet doen, gebeurde met speciaal ontworpen insectenvallen, waarmee zoveel mogelijk soorten werden gevangen en daarna gedetermineerd. ,,Naast het lijk werd een Malaise-val neergezet, een tent die open is met in het midden gaas, waarin de insecten blijven hangen. De grote insecten vallen naar beneden en komen in bakken terecht, de kleinere proberen te ontsnappen en komen dan in een val terecht, een potje, dat regelmatig wordt geleegd. Vier vallen worden parallel geplaatst en om het zwijn heen zijn bodemvallen ingegraven voor 'bodembeesten'. In alle vallen zit een zoutoplossing, waardoor ze doodgaan en worden geconserveerd. Zout is milieuvriendelijker dan bijvoorbeeld formaline.''
Dan is er de Newton-trap, genoemd naar een student die aan het onderzoek deelneemt, die bestaat uit een gootje met gaas met aan weerszijden een vangpotje met zoutoplossing; het dode dier wordt daar overheen gelegd. Na de maden krijgen de andere insecten een kans. Ook van onder het zwijn wordt aarde genomen. Het strooisel onder het kadaver wordt gezeefd om weer andere insecten te vangen. Elke dag werd een monster genomen.
Heijerman toont foto's van de resten van de kadavers. Botten, huid en haar. ''De hete zomer versnelt het proces,'' legt hij uit. ''Twee medewerkers van Naturalis uit Leiden nemen ook deel aan het onderzoek. Eén van hen is een specialist op het gebied van micro-Coleoptera (zeer kleine kevertjes), de ander is ook forensisch entomoloog. Hij wilde weten hoe lang het duurt eer een lijk is 'verdwenen' en welke insecten aan dat proces deelnemen. Die wetenschap kan informatie verschaffen bij het bepalen van het tijdstip waarop een misdaad is gepleegd.''
Er werden meer dan 2300 insecten gevangen op één zwijn, en gedetermineerd. Daar waren tien soorten bij die nog niet eerder in Nederland waren gevangen, doordat er nog nooit op zo'n intensieve manier, met zoveel verschillende vangmethoden onderzoek is verricht. ,,We zijn nog niet klaar met het onderzoek, er komt nog veel meer uit. We weten nog niet eens wat er in Nederland allemaal leeft aan fauna. Twintigduizend soorten insecten zijn bekend. We ontdekten dat ook vlinders van de lichaamsvloeistoffen van dode dieren drinken; dat het lichaam opzwelt en dat dan de maden snel uitkomen, die aan kop en anus beginnen te vreten. De beenderknagers komen pas later.
,,Het is één van de leukste onderzoeken die ik heb gedaan,'' aldus Heijerman. ,,Het zijn afstudeervakken. Jammer dat er niet meer studenten op af komen. Het is zo boeiend om dat proces van leven en sterven gade te slaan. Eigenlijk is het leven één groot sterven. Of, in dit geval, het leven na de dood, want dan begint het pas! De studenten waren ook enthousiast, ze vonden het onderzoek uiterst interessant en spannend. Natuurmonumenten wil de natuurliefhebbers hierover voorlichten en uitleggen dat deze processen 'niet vies' zijn. Wij willen ze daarbij helpen, maar zonder studenten lukt dat niet. Ik hoop echt dat dit onderzoek vervolg krijgt.''
Lydia Wubbenhorst

Re:ageer