Organisatie - 13 december 2007

Dierproeven/ Niets te verbergen, toch bang?

De rechter moest er aan te pas komen om de adviezen van de Wageningse Dierexperimentencommissie openbaar te maken. Adviezen waar volgens de Partij voor de Dieren bij nader inzien geen enkele motivatie in staat. Toch zeggen de betrokkenen bij Wageningen UR dat ze met iedereen willen praten over dierproeven.

105_achtergrond0.jpg
‘We hebben niets te verbergen’, zegt ir. Rob Buré. Als hoofd van de Arbo- en milieudienst is hij door de raad van bestuur aangewezen om alle dierproeven binnen Wageningen UR volgens de juiste procedures te laten verlopen. Alle aanvragen lopen via zijn afdeling. En er is geen reden om daar geheimzinnig over te doen, benadrukt hij. Maar het stapeltje adviezen van de Dierexperimentencommissie (DEC) dat voor hem op tafel ligt, is pas na tussenkomst van de rechter openbaar gemaakt. Het zijn de stukken over dierproeven bij Wageningen Universiteit die de Partij voor de Dieren via een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur aan de universiteit ontfutselde.
De partij heeft inmiddels via Resource laten weten helemaal niet tevreden te zijn met het stapeltje. Buré heeft formeel nog niets van de PvdD gehoord. ‘Ik heb ze uitgenodigd met ons te komen praten. Maar daar hoor ik verder niets van.’
Tweede Kamerlid Esther Ouwehand van de PvdD zegt vooral geïnteresseerd te zijn in de argumenten die ten grondslag liggen aan de ethische afwegingen van de Wageningse Dierexperimentencommissie. Voorzitter van die commissie is theoloog en ethicus drs. Franck Meijboom, universitair docent aan het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht. Meijboom kan zich iets voorstellen bij de opmerkingen van Ouwehand. Van de argumenten die gewisseld worden binnen de DEC valt niet zoveel terug te vinden in de openbaar gemaakte stukken.

Alternatieven
Elk instituut dat op basis van de Wet op de Dierproeven een vergunning heeft om dierproeven uit te voeren, moet elke proef laten toetsen door een commissie van interne en externe deskundigen van verschillende disciplines. De commissie maakt een ethische afweging. Centrale vraag: rechtvaardigt het doel van het onderzoek de middelen?
Wat uit de Wageningse stukken in elk geval wel duidelijk wordt is dat de DEC niet zomaar ja of nee zegt tegen een aanvraag. De ethische commissie geeft soms aan dat de proef ook met minder dieren kan, dat er andere manieren zijn om de dieren te behandelen of dat er alternatieven zijn zonder dieren. Als dat laatste aan de orde is, zal de aanvraag uiteindelijk nooit een positief advies van de commissie krijgen.
De DEC zou zelfs het gros van de aanvragen in de eerste bespreking kunnen voorzien van een negatief advies, zegt Meijboom, want misschien wel negentig procent van de aanvragen voldoet in eerste instantie niet aan de vereisten. De commissie kiest er echter voor om de discussie aan te gaan met de onderzoeker. ‘Negen van de tien keer hebben we nog allerlei vragen bij de opzet van de proef. Dan zeggen onderzoekers tegen ons dat we niet op hun stoel moeten gaan zitten, maar vaak gaat het toch om moreel relevante feiten. Wij gaan dan toch die discussie aan.’ Dat gebeurt door de eerste aanvraag met tal van vragen over de proefopzet terug te sturen naar de onderzoeker.
Als de DEC het er over eens is dat het onderzoeksdoel belangrijk genoeg is voor het gebruik van dieren, komt bijvoorbeeld de vraag aan de orde of de voorgestelde proefopzet en het veroorzaakte ongerief verantwoord zijn. Daarna volgt de vraag of het niet met minder dieren kan. Bij al die vragen kan de oorspronkelijke aanvraag worden aangepast, zodat die uiteindelijk aan de eisen voldoet. De DEC geeft dan een advies, dat formeel nog door de raad van bestuur terzijde kan worden geschoven. Maar in de Wageningse praktijk komt dat niet voor.
De dierproeven onder de paraplu van Wageningen Universiteit betreffen naast ratten en muizen relatief vaak landbouwhuisdieren en vissen. Daarmee neemt Wageningen een uniek positie in Nederland in. De proeven kunnen deel uitmaken van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, maar het kan ook gaan om proefdieren die worden ingezet om studenten bepaalde handelingen te laten oefenen, zoals bloed afnemen. Het komt dus voor dat de DEC adviezen geeft over handelingen die in de Nederlandse veehouderij dagelijks voorkomen, maar die – als het gaat om een proef – formeel moeten worden voorgelegd aan de DEC. Ook voor het melken van koeien in een proef moet een aanvraag worden gedaan.

Slijpsteen
Uiteindelijk gaan de meeste aangevraagde dierproeven gewoon door. Welke functie heeft de DEC dan? Meijboom: ‘We keuren inderdaad heel weinig af. Maar we functioneren als drempel. Onderzoekers hebben een verantwoordelijkheidsgevoel en voldoende realiteitszin om geen voorstellen te doen waarvan ze weten dat die er niet doorkomen. En voor wat nog wel in de commissie komt, geldt dat we fungeren als een slijpsteen. Wij hebben ook wel eens de discussie over de vraag: voor wie keuren we eigenlijk af? Als je kijkt wat in de vergadering ter tafel komt dan kun je twaalf van de veertien voorstellen afkeuren, omdat er nog vragen zijn, en twee gaan er zonder vragen door. Je doet echter aan window dressing als je die twaalf dan ook formeel afkeurt. Dan komt er vervolgens een nieuwe aangepaste aanvraag voor dezelfde proef – dat zou een gekke bureaucratische rompslomp geven. Het is beter om van de aanvankelijke a-versie van een aanvraag te komen tot een f-versie, waaraan zoveel veranderd is dat de DEC wel goedkeuring kan geven.’
De verschillen tussen de a- en de f-versie zijn niet alleen redactioneel van aard, maar ook inhoudelijk. Zo werd eind 2004 toestemming gevraagd om met hondsvissen metingen uit te voeren naar de kwaliteit van Rijnwater. Het betrof een herhaling van een soortgelijke proef in 1970. Doel was inzicht te krijgen in de verbetering van de waterkwaliteit. De DEC vroeg de onderzoeker om meer informatie, onder meer over de toediening van een stof die volgens de onderzoeker geen of weinig ongerief veroorzaakte. Volgens de commissie zouden de vissen echter schade ondervinden van de injecties. De proef werd uiteindelijk goedgekeurd, maar pas nadat de onderzoeker de proef twee keer had aangepast.
Meijboom erkent dat dergelijke inhoudelijke discussies en wijzigingen niet terug te vinden zijn in de nu geopenbaarde stukken. ‘Wij bekijken nu ook op welke manier we meer van onze afwegingen kunnen neerleggen in het uiteindelijke advies. Onze adviezen zijn niet vrij van discussie, maar inhoudelijk zijn ze wel goed. Dus wij hebben geen probleem met openheid.’

Moreel pluralisme
Hoe die openheid gestalte moet krijgen, blijft een lastige vraag. Want wat je er ook over naar buiten brengt, het meningsverschil tussen de voor- en tegenstanders van dierproeven blijft altijd bestaan, zegt Meijboom. Een ethisch probleem poets je niet weg door het in een commissie te laten beoordelen. ‘Er is in Nederland sprake van een fundamenteel moreel pluralisme. Het is een illusie te denken dat het pluralisme verdwijnt, als je het in de context van een Wet op de Dierproeven zet. Dat moreel pluralisme krijg je keer op keer terug.’
Dat betekent dat welk advies de DEC ook geeft, er altijd mensen zijn die het er niet mee eens zijn. ‘En toch is het niet voor honderd procent subjectief. Op het ene moment zeg je ja tegen een proef omdat er een belangrijk maatschappelijk doel mee gediend is, terwijl je je in langlopend onderzoek toch gaat afvragen of je voor stap 25 weer een soortgelijke dierproef moet doen.’
Meijboom vindt dat er veel gepraat moet worden over de ethische argumenten voor het gebruik van dierproeven bij onderwijs en onderzoek. Hij daagt de raad van bestuur uit daarover een visie te ontwikkelen, opdat de DEC die ook kan gebruiken bij het beoordelen van de aanvragen, en opdat er binnen Wageningen Universiteit een bredere de discussie komt over de ethische aspecten van bijvoorbeeld de intensivering van de landbouw of obesitasgerelateerd onderzoek, zegt Meijboom.
Buré zegt dat de raad van bestuur er in elk geval alles aan gelegen is de gesprekken op gang te houden met iedereen die erbij betrokken is. Niet voor niets zit Buré met enige regelmaat om tafel met mensen van de Vereniging Proefdiervrij. ‘We moeten de maatschappelijke discussie doorzetten.’

Re:ageer