Organisatie - 31 januari 2008

Dierengeluk is niet te meten

Varkensflats, circusdieren, castratie van biggetjes. Dierenwelzijn houdt de gemoederen in Nederland bezig. En alle partijen die zich in het debat mengen, schermen graag met ‘wetenschappelijke inzichten’. Maar kan de wetenschap wel alle antwoorden geven als het om dierenleed gaat? Nee, zeggen onderzoekers van de Animal Sciences Group. En pas als iedereen dat voor ogen houdt, kan het debat volgens hen goed worden gevoerd.

112_achtergrond0.jpg
Soms is de werkelijkheid hartverscheurend. De gasten in het Britse televisieprogramma Jamie’s Fowl Dinners lachen aanvankelijk bij de vertederende aanblik van donzige eendagskuikens die Jamie Oliver op de tafel heeft gezet. Maar als ze eigenhandig de haantjes van de hennen hebben gescheiden en op het podium de vernietigingskamer verschijnt, betrekken de gezichten. Als de deskundige vertelt hoe de economisch nutteloze haantjes volkomen pijnloos met kooldioxide worden gedood, komen de eerste tranen. De ontzetting komt tot een hoogtepunt als de kuikens een voor een bewusteloos op hun ruggetje vallen en schijnbaar happend naar lucht aan hun eind komen.
De dood van eendagskuikens, indringend in beeld gebracht door de Britse televisiekok, kan met wetenschappelijke argumenten worden verdedigd als een handeling die weinig dierenleed veroorzaakt. Maar is de dagelijkse consumptie van een ei de dood van al die haantjes waard?
Het antwoord op die vraag is niet meetbaar en nauwelijks wetenschappelijk te onderbouwen. Toch beroepen politici en actiegroepen die meepraten over dierenwelzijn, zich graag op wetenschappelijke inzichten. Dat geeft extra gewicht. Ook landbouwminister Gerda Verburg vroeg bij de voorbereiding van haar nota Dierenwelzijn aan onder meer de wetenschappers van de Animal Sciences Group in Lelystad om wetenschappelijke onderbouwing te geven.
De ASG-onderzoekers voldeden aan het verzoek en kwamen met het rapport ‘Ongerief bij rundvee, varkens, pluimvee, nertsen en paarden’. Dit rapport vormt nu een bijlage bij de dierwelzijnsnota van Verburg, waarover de Tweede Kamer deze week debatteert. Maar de onderzoekers maken in de nota wel de kanttekening dat het dierenwelzijnsdebat zich niet laat inkaderen door wat de wetenschap over dierenleed op tafel kan brengen. Zoals Jamie Oliver laat zien, zitten er veel meer elementen aan.
De vraag of eendagskuikens mogen worden gedood is van een andere orde dan de vraag of een kuiken lijdt bij het doden. Je kunt meten of er sprake is van leed - of zoals de wetenschappers zeggen: ongerief. Maar daarmee heb je geen antwoord op de ethische vraag of duizenden haantjes mogen worden gedood voor een betaalbaar consumptie-ei.

Varkensflat
Al even complex is de vraag of een varken gehouden kan worden in een stal met tienduizend soortgenoten. Het dier is niet meetbaar gelukkiger of ongelukkiger in een megastal. Dat kunnen wetenschappers vaststellen. Toch heeft half Nederland een oordeel over de varkensflat.
Eén van de argumenten is dat je een varken in een megastal moeilijk een modderbad kan aanbieden. Maar heeft een varken dat nodig? Ja, zeggen de mensen die zien dat varkens die buiten lopen zich te goed doen aan zo’n verfrissende duik. Wetenschappers weten het echter niet zo zeker. ‘Varkens maken van het modderbad gebruik als ze de kans krijgen. Maar dat is niet voldoende om te zeggen dat het noodzakelijk is’, zeggen de Lelystadse onderzoekers, en ze voegen een vergelijking toe: ‘Als je varkens truffels zou voorleggen, zouden ze die opeten, maar dat wil niet zeggen dat ze eronder lijden als ze geen truffels krijgen’, zeggen de wetenschappers. Varkens in een stal - of dat nu een megastal is of een schuurtje van een keuterboer - vertonen geen abnormaal gedrag als ze geen modderbad krijgen. Het is dus niet wetenschappelijk vast te stellen dat een varken een modderbad nodig heeft.
Maar is het varken met modderbad dan niet gelukkiger dan zonder? ‘Geen mens kan vaststellen of een dier gelukkig is’, zeggen de Lelystadse onderzoekers. ‘Niemand, ook niet de expert, kan claimen exact te weten wat dieren ervaren.’
Wat wetenschappers wel kunnen, is vaststellen dat het gemis van sommige natuurlijke gedragingen leidt tot stress en schadelijk, ongezond gedrag. Een kip wil bijvoorbeeld per se een stofbad nemen, desnoods bovenop en ten koste van zijn soortgenoten. En een varken moet wroeten en onderzoeken. Als het geen stro of ander afleidingsmateriaal heeft, gaat het in de staarten van soortgenoten bijten.

Meetbaar of niet
De Lelystadse onderzoekers zeggen dat in het welzijnsdebat duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen meetbaar dierenleed of dierengeluk – zoals het onmisbare wroeten - en onmeetbare welzijnselementen – het modderbad - waarvan de mens vindt dat ze het dier toekomen of juist schaden. Wil je de discussie goed voeren, dan moet je dus ook oog hebben voor wat de mens wil. Met alleen de wetenschappelijke inbreng doe je onrecht aan de verschillende lagen van het welzijnsdebat, zeggen de onderzoekers in hun rapport aan de minister.
De onderzoekers hebben de opvattingen van de mens vervolgens verder geanalyseerd, waarbij ze verschillende elementen onderscheiden. De eerste kwestie is het gebruik van dieren voor ons eigen nut. Mag je überhaupt iets met dieren doen? Dan is er de categorie mensen die vindt dat dieren zoveel mogelijk in de natuur moeten kunnen zijn. Maar wat is de natuur voor dieren die al eeuwen gedomesticeerd zijn? Een andere vraag is in hoeverre je technologie mag inzetten bij de dierhouderij. Volgens sommigen is technologie de tegenpool van hoe de veehouderij er zou moeten uitzien. En tot slot is er nog de vraag van de schoonheid: de esthetiek van de koe in de wei, of van de witte hekken rond een paardenwei.

Castreren
Als je de wetenschappelijke benadering van het leed legt naast de heersende opvattingen over dierenwelzijn, dan zijn er overeenkomsten. Gebrek aan beweging, slechte vloeren, verveling en de aanwezigheid van parasieten zijn meetbaar leed, én leed in de ogen van het publiek.
Maar er zijn ook grote verschillen. In het publieke debat hoor je nauwelijks iets over de hennen die de eieren leggen waaruit vleeskuikens worden geboren. Die zijn zo gefokt dat ze eindeloos willen eten, en hebben daardoor voortdurend honger. Hoe komt het dat niemand zich daarover opwindt, terwijl er volop aandacht is voor een kortdurende pijnlijke ingreep zoals het castreren van biggen?
De mens denkt zich te kunnen verplaatsen in de positie van een dier en baseert daar ook voor een deel het oordeel over dierenwelzijn op. ‘Die kennis is niet objectief en waarschijnlijk gemengd met overtuigingen die meer over onszelf dan over dieren zeggen, maar die is zeker wel relevant in het debat’, aldus de ASG’ers. Wat zij van belang vinden, is dat wetenschappelijke kennis een goede plek krijgt in het debat. Daar hoort niet bij dat iemand het recht claimt om namens de dieren te spreken. ‘Dieren spreken niet voor zichzelf, maar ze hebben ook niet één woordvoerder aangesteld.’

Ferry Leenstra, Kathalijne Visser, Marco Ruis, Karel de Greef, Bram Bos, Ingrid van Dixhoorn en Hans Hopster, 2007, Ongerief bij rundvee, varkens, pluimvee, nertsen en paarden. ASG-rapport 71.

Re:ageer