Wetenschap - 16 april 2020

Dierendilemma’s

tekst:
Tessa Louwerens

Varkens die dankzij crispr-cas immuun zijn voor virussen, hoornloze koeien en honden in de meest exotische vormen. De mens past dieren aan zijn wensen aan. Dat is niet per se slecht voor het welzijn. Maar daarmee is de kous niet af, bepleit Bernice Bovenkerk. Volgens de ethicus moet het maatschappelijk debat over aanpassingen aan dieren verder gaan dan de welzijnsdiscussie.

Tekst Tessa Louwerens, Foto's Shutterstock

‘We zijn het er over eens dat we rekening moeten houden met dierenwelzijn’, zegt Bovenkerk. ‘En er zijn aanpassingen die het welzijn niet schaden. Sterker nog, die soms juist iets “oplossen”. Denk aan genetische aanpassingen waardoor koeien hoornloos worden geboren en elkaar dus geen pijn kunnen doen. Veel mensen hebben, los van de welzijnsvraag, morele problemen met het aanpassen van dieren. Deze bezwaren worden echter gemakkelijk afgeserveerd.’
In het kader van haar VIDI-onderzoek Anthropocene Ethics. Taking Animal Agency Seriously bracht Bovenkerk de vier belangrijkste argumenten in kaart en publiceerde dit onlangs in Animal Frontiers.

Een koe zonder hoorns is handig. Maar is het ook wenselijk?
Een koe zonder hoorns is handig. Maar is het ook wenselijk?

Integriteit

Veelgehoord argument is dat aanpassingen de integriteit van het dier aantasten. Bovenkerk: ‘Mensen hebben een bepaald ideaalbeeld van hoe dieren horen te functioneren. In veel gevallen bedoelen we dan hoe we ons voorstellen dat ze in de natuur zouden leven. Dus staarten couperen van varkens, of Belgische blauwe koeien die niet zelfstandig kunnen bevallen, zijn aantastingen van de integriteit van het dier. Maar als de staart van een hond wordt afgezet vanwege een tumor, vinden we dat meestal geen aantasting van de integriteit. Ook de beweegreden achter de aanpassing speelt mee.’

Dier als object

Een tweede belangrijk argument is dat aanpassingen leiden tot  instrumentalisatie van dieren. ‘We voorzien stallen en koeien van sensoren. Handig, dan kunnen koeien bijvoorbeeld automatisch worden gemolken. Maar tegelijkertijd creëer je meer afstand tussen dier en boer.’ Het dier wordt dan volgens Bovenkerk een soort levend onderdeel van het systeem.  ‘De vraag is moeten we het dier aanpassen aan de stal? Of andersom? Met crispr-cas fokken we varkens die immuun zijn voor virussen.  Dat redt varkenslevens, maar er zouden waarschijnlijk minder virusinfecties zijn als we de varkens minder dicht op elkaar houden.’
In deze situaties is het dier volgens Bovenkerk geen individu, maar een instrument om onze doelen te bereiken en daarbij gereduceerd tot de essentiële functies: een koe wordt geboren, eet, drinkt, baart, geeft melk en gaat dood. ‘Dieren zijn in dit systeem inwisselbaar. Die objectificatie geldt niet alleen in de veehouderij. Zo spreekt men in de hondenfokkerij bijvoorbeeld van het leegtrekken van een teef, wanneer er pups worden geboren.’

Moeten we het dier aanpassen aan de stal? Of andersom?

Het gevaar is volgens Bovenkerk dat er vanuit wordt gegaan dat dieren geen perspectief op hun eigen leven hebben en geen wens om daar het maximale uit te halen. Wat is überhaupt een goed leven voor een dier? Die vraag is volgens haar niet gemakkelijk te beantwoorden. ‘Gedragswetenschappers gaan er wel van uit dat dieren bepaalde, niet per se bewuste, doelen nastreven in hun leven. Dieren lijken ook individueel verschillende voorkeuren en persoonlijkheden te hebben.’

18_shutterstock_1145516648.jpg

God en Natuur

Dan zijn er ook mensen die vinden dat we niet voor God mogen spelen. Bovenkerk: ‘Dit is niet enkel een religieus argument. Je kunt het ook zo bekijken: De evolutie heeft miljarden jaren van trial en error doorstaan om tot dit punt te komen. Hoe arrogant is het om te denken dat wij het wel even gaan verbeteren?’

Een drogreden is ook een reden

Een argument dat daar tegenaan schuurt is het punt dat aanpassingen aan dieren onnatuurlijk zijn. Niet omdat dan dingen gebeuren die nooit in de natuur zouden gebeuren, maar omdat mensen het teweeg brengen. ‘Veel filosofen vinden dit een lastig punt’, zegt Bovenkerk. ‘De natuur is zeker geen geschikte maatstaf voor wat “goed” is. Een kat speelt met zijn eten en sommige dieren eten hun eigen jongen. Niemand zal beweren dat we dat ook moeten doen omdat het natuurlijk is. Net als niemand zal zeggen dat brillendragers slecht zijn, omdat een bril onnatuurlijk is.’  
Volgens Bovenkerk noemen mensen iets vaak onnatuurlijk, terwijl ze eigenlijk bedoelen dat ze het niet goed vinden. ‘Filosofen vegen dat van tafel als een drogreden. Dat is ook zo, maar we moeten dit veelgehoorde argument niet negeren. Het is interessant om te onderzoeken wat hierachter ligt en daar de discussie over te voeren.’ 

Wereldbeeld

Bovengenoemde argumenten zijn volgens Bovenkerk terug te voeren naar ons wereldbeeld en onze fundamentele waarden. ‘De morele discussie over aanpassingen bij dieren gaat niet zo zeer over hoe een dier het ervaart, maar over hoe wij mensen het ervaren. Hoe willen wij als mens leven ten opzichte van de natuur en van andere dieren? Wat is een goed leven en wanneer ben je een goed persoon?  Dat is iets waar meningen fundamenteel over verschillen. Door erover te praten krijg je meer begrip voor elkaar. Wetenschappers denken bijvoorbeeld dat mensen niet achter een technologie staan omdat ze het niet snappen. En dat meer kennis de sleutel is om mensen te overtuigen. Het ligt vaak veel genuanceerder. Zo zijn er ook studies die laten zien dat meer kennis het tegenovergestelde effect heeft.’

Publieke debat

Nu worden deze bezwaren volgens Bovenkerk met name in de  privésfeer geuit.  ‘Ik denk dat politieke keuzes gemaakt moeten worden op basis van zoveel mogelijk input en daar horen ook deze waarden en wereldbeelden bij, die voor veel mensen belangrijker zijn dan welzijnsargumenten. Het hoeft niet gelijk tot andere regelgeving te leiden. Maar door enkel welzijnsargumenten aan te voeren verarm je het debat, en creëer je bovendien een bias waarbij de balans doorslaat in het voordeel van voorstanders van toepassingen van nieuwe technologieën op dieren. Immers, veel van die technologieën hebben niet direct een negatieve impact op dierenwelzijn.

Enkel welzijnsargumenten aanvoeren, verarmt het debat

Laten we niet blindelings onze technologieën op dieren toepassen, maar af en toe een stapje terug nemen en reflecteren op wat dit betekent voor onze relatie met dieren en de natuur en of dit een wereld is waar we in willen leven.’