Wetenschap - 3 oktober 2014

Dertig jaar strijden voor vervanging dierproef

tekst:
Rob Ramaker

Toxicoloog Menk Prinsen bedacht in de jaren tachtig een alternatief voor een omstreden giftigheidsproef bij konijnen. Pas de laatste jaren wordt zijn test internationaal omarmd. In een proefschrift dat hij vandaag verdedigt, legt Prinsen uit waarom dit zolang heeft geduurd.

Foto: Menk Prinsen

Sinds de jaren zestig wordt bij konijnen onderzocht of bijvoorbeeld nieuwe verzorgings- en huishoudproducten de ogen irriteren. Toen begin jaren tachtig de weerstand tegen dierproeven groeide, werd deze zogeheten Draize-test het uithangbord van de tegenstanders van dierproeven. TNO-medewerkers Herman Koëter en Menk Prinsen, trokken zich dat aan en ging op zoek naar een alternatief.

Zij lieten vervolgens zien dat je stoffen ook kunt testen op ‘dode’ losse konijnenogen. Dieren lijden zo in ieder geval niet tijdens de test. Later schakelden ze over op kippenogen om helemaal vrij te zijn van proefdieren. De koppen haalden ze bij het slachthuis waarna de ogen werden vrijgeprepareerd. Nadat je een stof over zo’n los oog druppelt, kun je met een speciale oogmicroscoop volgen of het hoornvlies intact blijft.

De test vermindert niet alleen het gebruik van proefdieren maar geeft volgens Prinsen bovendien betere resultaten. ‘Het is veel dichter bij de realiteit,’ zegt Prinsen. De test op levende konijnen zorgt voor allerlei problemen. Zo kan het resultaat sterk beïnvloed worden door dieren die na blootstelling in hun ogen krabben. Ook blijkt microscopisch onderzoek van het oog veel betrouwbaarder dan de subjectieve inschatting van oogirritatie van het konijn door een onderzoeker.

Je voelt vooral frustratie. Je hebt een goede test maar je krijgt het maar niet geaccepteerd.
Menk Prinsen

Het lukte Prinsen destijds echter nauwelijks om regelgevende instanties te overtuigen. Toezichthouders bleven eisen dat zijn alternatief net zo ‘goed’ scoort als de Draize test. Het lukte niet om daaraan te voldoen. Een groot internationaal validatieonderzoek van de Europese Commissie eindigde in de jaren negentig dan ook ‘in een enorme teleurstelling,’ zegt Prinsen. Alle alternatieve testen, waaronder die van hem, scoorden ondermaats. ‘Je voelt vooral frustratie,‘ zegt Prinsen, ‘je hebt een goede test, maar je krijgt het maar niet geaccepteerd.’ Hij besloot de test bij TNO te blijven gebruiken om niet langer ernstig irriterende stoffen te hoeven testen, maar stak geen energie meer in het lobbyen.

Toch kwam de jaren daarna een – gedeeltelijke – kentering. De Europese industrie voor huishoud- en verzorgingsproducten omarmde de alternatieve test uiteindelijk. Ook de OESO neemt de test in 2009 als richtlijn op. In 2010 kreeg Prinsen de Hugo de Poelgeest prijs voor het vervangen van dierproeven. Dat voelde als ‘een fantastische bekroning’. Prinsen voelt zich dan ook niet gefrustreerd en verwacht dat de Draize test in de toekomst helemaal zal verdwijnen. Hij zal er zelf in ieder geval nooit meer één uitvoeren.


Re:ageer