Organisatie - 20 september 2007

Democratisering doet groot historicus de das om

De grondlegger van de leerstoelgroep Agrarische geschiedenis aan Wageningen Universiteit is Bernard Slicher van Bath (1910-2004), een van de belangrijkste historici van de twintigste eeuw. Zijn methoden om het leven op het platteland in vroeger tijden inzichtelijk te maken, baarden veel opzien in binnen- en buitenland. Minder bekend is de reden van zijn voortijdige vertrek uit Wageningen in 1972.

Slicher van Bath rond 1965.
Slicher van Bath rond 1965.

Foto: uit familiearchief

In zijn proefschrift ‘Samenleving onder spanning’, dat in 1957 verschijnt, beschrijft Slicher van Bath de ontwikkeling van het Overijsselse platteland vanuit sociaal-economisch perspectief. De dissertatie vormt de eerste kennismaking van de jonge historicus Ad van der Woude met Slicher van Bath. Van der Woude, inmiddels emeritus hoogleraar aan Wageningen Universiteit, vertelt daarover in 2006 in zijn artikel ‘Slicher van Bath en zijn ploeg: Menselijke tragedie als historiografische kroniek’ in het Tijdschrift voor Geschiedenis.
Van der Woude is eind jaren vijftig diep onder de indruk van het werk van Slicher, maar hoort een historicus in Utrecht zeggen: ‘Vreselijk. Allemaal cijfers, cijfers, cijfers.’ Het commentaar komt aan als een mokerslag. ‘Eindelijk kwam er een vakgenoot in dit land laten zien dat hij de aansluiting met de internationale ontwikkelingen niet had gemist en dan zou hij zó worden afgemaakt.’ Van der Woude stuurt daarop zijn eigen lovende recensie over ‘Samenleving onder spanning’ naar Slicher, wat na enkele ontmoetingen resulteert in het aantreden van Van der Woude bij Slichers ploeg aan de Landbouwhogeschool Wageningen.
Hij noemt de beginjaren in Wageningen ‘een heerlijke tijd bij de Nederlandse historische avant-garde’. Slicher wordt in 1960 internationaal bekend met de publicatie van ‘De agrarische geschiedenis van West-Europa 500-1850’, een standaardwerk dat veel herdrukken en vertalingen kent. Ook het verschijnen van het deels Engelstalige tijdschrift de AAG Bijdragen - op initiatief van de afdeling - draagt bij aan de roem van ‘de Wageningse school’.
Met de jaren ontstaat er echter wrijving tussen de beroemde hoogleraar en zijn wetenschappelijke staf. De eerste incidenten waarbij Slicher zich lijkt te distantiëren van zijn medewerkers hebben volgens Van der Woude plaats in 1965. Slicher, gewend aan zijn rol als voortrekker, heeft ‘geen lust als een van de velen mee te lopen’ nu zijn ideeën over de West-Europese agrarische geschiedenis internationaal navolging krijgen.
In 1968 vertrekt Slicher van Bath naar Chicago voor een gastdocentschap. De communicatie met de afdeling in Wageningen verloopt tijdens zijn afwezigheid moeizaam en Slicher raakt in deze periode vooral geïnteresseerd in de geschiedenis van Latijns-Amerika. Bij terugkomst wil hij het Wageningse onderzoek daar op richten. ‘Of wij zo vriendelijk wilden zijn onze dissertaties nu zo snel mogelijk te voltooien om daarna te verdwijnen’, schrijft Van der Woude.
In die tijd, eind jaren zestig, doet echter de democratisering zijn intrede in de universitaire wereld. De wetenschappelijke medewerkers krijgen een stem in het geheel. Er ontwikkelt zich een slepend conflict binnen de afdeling Agrarische geschiedenis dat pas ten einde komt wanneer Slicher van Bath in 1972 ontslag neemt. Hij wordt directeur van het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns-Amerika (CEDLA) in Amsterdam, en vervolgens bijzonder hoogleraar in Leiden en Nijmegen. Hij ontvangt prijzen voor zijn wetenschappelijke verdiensten en publiceert onder meer het handboek ‘Spaans Amerika omstreeks 1600’.
Ad van der Woude treedt later in Slichers voetsporen als hoogleraar bij Wageningen Universiteit. Terugkijkend op het vertek van Slicher stelt hij dat ‘de karakters van de betrokken personen én de emancipatorische ontwikkelingen binnen het universitaire bestel’ doorslaggevend waren. Nu de meeste betrokken zijn overleden, wil hij de toedracht over het vertrek van zijn leermeester vastleggen voor de historiografie, schrijft hij in het Tijdschrift voor Geschiedenis. ‘In de jaren waarin de scheefgroeiende verhoudingen tot een onder vakgenoten publiek conflict werden, (...) noch daarna hebben wij er naar buiten toe over willen praten, hoevelen daar ook bij herhaling om vroegen. Voor ons was en bleef hij een groot geleerde.’

Re:ageer