Wetenschap - 1 januari 1970

De woonvoorkeur van riviervissen

De woonvoorkeur van riviervissen

De woonvoorkeur van riviervissen

Met zomerdijken, stuwen en kribben is de Rijn de afgelopen eeuw steeds meer naar de hand van de mens gezet. Dat strakke keurslijf is niet goed voor riviervissen als de winde, die juist afwisseling nodig hebben. Biologiestudent Vincent van de Meij keek waar riviervissen zich het liefste ophouden


De laatste jaren trekt de overheid geld uit om de Rijn weer aantrekkelijk te maken voor stroomminnende vissen. De rivier wordt in verbinding gebracht met geulen en plassen, zodat vissen weer de ruimte krijgen om voedsel te zoeken, te overwinteren en te paaien. Om het woongebied van de riviervissen zo goed mogelijk in te richten is echter meer kennis nodig over de plekken waar de vissen zich in verschillende levensfases het liefste ophouden. Biologiestudent Vincent van de Meij heeft geprobeerd dit voor vier vissoorten in kaart te brengen

Van de Meij keek in met de Rijn verbonden wateren naar het voorkomen van de winde, een typische riviervis, en naar snoekbaars, brasem en blankvoorn, vissen die zich bijna overal thuisvoelen. Hij koos daarvoor de nevengeulen bij Opijnen en Beneden-Leeuwen, een ondiep wetland bij Tiel en een zandwinput, de Kaliwaal Kekerdom

In december 1998 trok Van de Meij een week op met de vissers van de Organisatie voor de Verbetering van de Binnenvisserij (OVB). Zo weet hij nu hoe je een zegen moet trekken en een kuil moet slepen. Een zegen is een langwerpig net, aan oon uiteinde vastgehouden door iemand aan wal, dat met een boot over een halve cirkel wordt uitgespreid. Het net, verzwaard met gewichten, zinkt naar de bodem. Daarna trekken vissers het met de hand naar de kant. Een kuil is een net dat achter oon of twee boten wordt gesleept, het is vooral handig in dieper water

Met een regenbroek en rubberlaarzen stond Van de Meij in een witgesneeuwd landschap tot zijn enkels in het water om mee te helpen de vissen binnen te halen. De handen bloot, om de vissen zo ongeschonden mogelijk uit het ijskoude water te halen, te meten en te wegen. Alleen vissen die te klein waren om in het veld te determineren werden gedood en meegenomen voor nader onderzoek. De rest van de vangst lieten de vissers weer vrij

Een hoogtepunt vond Van de Meij de vangst van een rivierprik, een kaakloze vis die zich als een parasiet hecht aan andere vissen. Deze vis is niet alleen tamelijk zeldzaam, de lengte van het gevangen dier, 39 centimeter, was eveneens uitzonderlijk. Toen stonden we met z'n allen wel even te flippen, aldus Van de Meij

Omdat het onderzoek van Van de Meij deel uitmaakt van het project Kansen voor rivierminnende vissen hoefde hij niet zelf alle data te verzamelen. Terug op de universiteit kon hij daarom aan de slag met de gegevens van twee jaar onderzoek. Hij bedacht een methode om de kuil- en de zegenvangsten bij elkaar op te tellen. Zo kon hij het aantal gevangen vissen per duizend vierkante meter wateropvlak berekenen. Vervolgens deelde hij blankvoorn, snoekbaars, brasem en winde nog in drie leeftijdsklassen in en keek hij hoeveel vissen in welke maanden in welk water waren gevangen

Uiteraard had Van de Meij wel idee├źn over waar de vissen zich in bepaalde maanden zouden moeten ophouden. Zo verwachtte hij in de paaitijd in het voorjaar meer volwassen vissen te vangen in ondiep water en in de winter zouden de vissen zich juist in diep water bevinden. Hoewel Van de Meij voor blankvoorn, snoekbaars en brasem vaak wel kleine verschillen vond, bleef er na statistische analyse niets van die resultaten over: de verschillen waren niet significant

Voor de winde vond Van de Meij zelfs helemaal niets dat leek op het patroon dat hij verwachte. Dat kan echter komen door de geringe frequentie - eens in de zeven weken - waarmee is gemeten, denkt Van de Meij. Het is nog niet zo lang bekend dat de winde slechts twee dagen nodig heeft om naar het paaigebied te zwemmen, eieren af te zetten en weer te vertrekken. De kans dat je ze dan bij bemonstering van eens in de zeven weken vangt, is natuurlijk klein.

Zijn gebrek aan resultaten wijt Van de Meij echter hoofdzakelijk aan het feit dat hij de vangsten van zegen en kuil bij elkaar heeft opgeteld. Het eerste vangtuig gebruik je vooral in ondiep water en het tweede in wat dieper water. Stel dat de vissen in het paaiseizoen vooral in ondiep water zitten, dan vang je dus minder vissen met de kuil. Door de vangsten van de twee vangtuigen bij elkaar op te tellen, middel je de vangsten echter uit.

Van de Meij baalt stevig dat hij niet eerder heeft bedacht dat hij toch onderscheid moest maken tussen beide vangtuigen. Nu levert zijn onderzoek weinig informatie op voor het project om de rivieren aantrekkelijker te maken voor riviervissen. Tijd om zijn onderzoek over te doen heeft hij niet. Wel kan hij zich troosten met de gedachte dat andere studenten verder zullen gaan met zijn resultaten

Re:ageer