Wetenschap - 1 januari 1970

De wilde konikpaarden van de Blaauwe Kamer

De wilde konikpaarden van de Blaauwe Kamer

De wilde konikpaarden van de Blaauwe Kamer

Ze had al vroeg iets met paarden; ze kreeg op haar achtste een eigen pony en een paar jaar later een paard. Toch kwam Arma van Strien in eerste instantie naar Wageningen met het plan gorilla's te bestuderen. Maar van onderzoek naar gorilla's kwam het niet; Van Strien wijdde uiteindelijk twee afstudeervakken aan onderzoek naar wilde konikpaarden. Het paardengevoel bleef altijd kriebelen.


Toen in 1887 de laatste tarpan in een dierentuin in Moskou het loodje legde, stierf het laatste wilde paardenras op aarde uit. Toch bleven er genen van de tarpan bewaard: niet lang daarvoor hadden Poolse boeren hun eigen gedomesticeerde konikpaarden gekruist met tarpans. Ene professor Vetulani ontdekte dat en begon in 1936 met experimenten om de tarpan uit die konikpaarden terug te fokken

In de Tweede Wereldoorlog confisqueerden de Duitsers zijn beste paarden. Na de oorlog had Vetulani nog maar vijftien Konikpaarden met tarpan-bloed over. Desondanks pakte Vetulani de draad weer op. Hij fokte met de paarden door tot zijn dood, waarna een staatsfokkerij zijn werk overnam

De konikpaarden die in 1991 werden uitgezet in natuurgebied de Blaauwe Kamer kwamen van deze fokkerij en zijn nauw verwant aan de tarpan. Het gedrag van deze kudde en een andere kudde konikpaarden in het Arnhemse natuurreservaat Meinerswijk was het onderwerp van het eerste afstudeervak van Van Strien. Ze bestudeerde de sociale relaties tussen paarden en de consequenties hiervan voor het beheer van de kuddes. In de kleine natuurgebieden kunnen de kuddes niet oneindig groeien. Daarom moeten er na verloop van tijd paarden uit. En soms is het ook beter om nieuw bloed in de kudde te brengen om bijvoorbeeld inteelt te voorkomen. Aan de hand van mijn onderzoek konden beheerders beter bepalen welke dieren uit de kuddes moesten.

Na haar eerste afstudeervak wilde Van Strien aanvankelijk iets met insecten doen. Toch koos ze uiteindelijk weer voor konikpaarden. Geen gedragsonderzoek dit keer, maar een ecologisch onderwerp. Ze onderzocht voor welk voedsel de paarden een voorkeur hebben en bekeek factoren die van invloed zijn op de verblijftijd van de dieren in een patch - een gebied waarbinnen de vegetatie ongeveer hetzelfde is. Er is wel patch-onderzoek gedaan bij grazers op proefvelden, maar nauwelijks bij grazers in de vrije natuur.

Van Strien verdeelde de gebieden waar de paarden graasden in een groot aantal patches. Die behoorde elk tot een van de negen patch-typen die ze definieerde op basis van vegetatiestructuur, -hoogte en -kwaliteit. Daarna begonnen de waarnemingen. Van Strien volgde steeds geruime tijd oon dier. Ik noteerde bijvoorbeeld: hij bevindt zich nu in patch oon. Daarna wachtte ik tot ie naar een ander patch ging. Lachend: En dan maar happen tellen, stappen tellen, happen tellen...

De konikpaarden bleken een voorkeur te hebben voor twee patch-typen, waarbinnen het voedsel voornamelijk bestond uit witte klaver. Deze patches bevatten weinig biomassa en de vegetatie kort, maar wel energie- en eiwitrijk. De dorre, langere vegetatie met veel celwand bewaarden ze voornamelijk voor de winter. Verder bleken de dieren in grote patches langer te grazen dan in kleine. En hoe langer ze erover deden om een patch te bereiken, hoe langer ze daar graasden. Als de paarden naar een patch lopen, gebruiken ze energie. Die moeten ze er daarna minstens weer bij eten, anders loont de verplaatsing niet.

Van Strien genoot van het veldwerk. Vooral 's ochtends: een beetje dauw, een beetje mistig, en de vogels zijn dan heel nadrukkelijk aanwezig. Ik zag ook een keer een vos... Nee, in een laboratorium staan en door een microscoop turen is niets voor mij. Ik ben liever buiten.

Ook de rust vond Van Strien prettig. Die werd op een dag echter verstoord door een schoolklas die naar de Blaauwe Kamer kwam voor een excursie. Ze hadden hun rugtasjes met boterhammen bij een bruggetje midden in het reservaat neergelegd. Niet veel later stonden de paarden even verderop met de tassen te zwiepen en erop te kauwen.

Toch vond Van Strien bij tijd en wijle het werk saai. Ik deed mijn veldwerk in de zomer. Toen het heel warm werd, gingen de paarden minder eten. Het duurde soms wel anderhalf uur voordat ze zich verplaatsten of weer gingen grazen. En ik maar wachten. Gelukkig kwam er op het laatst een andere student, met wie ik gezellig kon kletsen. En ik ben wel lekker bruin geworden. E.R

Re:ageer