Organisatie - 22 mei 2008

De verborgen waterwereld van de Andes

Boeren in de Andes beheren hun irrigatiewater op een eigen, ingewikkelde manier waar overheden en bedrijven geen vat op krijgen. Die proberen daarom eenvormigheid op te leggen, blijkt uit onderzoek van socioloog dr. Rutgerd Boelens. Eén vorm van boerenverzet hiertegen is de ‘schutkleurstrategie’.

achtergrond_0_136.jpg
Irrigatiesystemen worden wereldwijd steeds uniformer. Waterexperts ontwerpen de kanalen en de organisaties die het water verdelen volgens vaste standaarden. Het gaat om modern, rationeel en efficiënt gebruik van water, met een functionele verdeling van water onder alle gebruikers en een marktgerichte organisatie: het moet mogelijk zijn om irrigatiewater te kopen of te verkopen. Hoe boeren zich moeten organiseren of kanalen onderhouden moeten worden, wordt vaak geformuleerd in best practices. Overheden of ngo’s ondersteunen de boeren in hun streven naar die beste praktijken.
Deze door experts en beleidsmakers bedachte regels en normen over waterbeheer en irrigatiesystemen lijken universeel geldig en politiek neutraal. Maar dat zijn ze niet, betoogt dr. Rutgerd Boelens in de zeshonderd pagina’s van zijn proefschrift over waterbeheer in de Andes waarop hij vorige maand cum laude promoveerde. Want de meeste experts hebben doorgaans geen interesse in hoe de lokale bevolking omgaat met waterbeheer. Doel van de plannen is, stelt Boelens, het gedrag van de boeren ‘normaal te maken, aan te passen aan het ontwerp van buitenaf’. En daarmee komt de zeggenschap over het water bij de overheid te liggen of bij bedrijven die water willen kopen voor de mijnbouw of grootschalige landbouw. Vanwege de politieke gevolgen van de zogenaamd neutrale ontwerpen van experts noemt Boelens ze ‘hydro-politieke droomstelsels’.

Levende rechten
Droomstelsels, want het blijft doorgaans bij dromen die niet uitgevoerd worden. Ver verwijderd van standaard handleidingen en irrigatierichtlijnen bestaat namelijk een heel andere waterwereld, ontdekte Boelens in de twintig jaar dat hij werkte in de Andes en onderzoek deed naar waterrechten daar. Het recht om water te gebruiken op de eigen akker wordt een boer niet gegeven. ‘Je bouwt waterrechten op door bijvoorbeeld een kanaal te graven of het schoon te houden. Maar ook door lid te zijn van een watergebruikersorganisatie of buiten het dorp het recht op water voor het dorp te verdedigen. Het zijn daarom levende waterrechten’, zegt Boelens, ‘ze veranderen voortdurend.’
Die rechten zijn individueel, maar ze zijn niet te scheiden van het collectieve recht van het hele dorp op water, zegt Boelens. ‘Het collectief is geen uitkomst van ideologische solidariteit, maar noodzaak.’ In de Andes, met diepe kloven en kanalen in instabiele hellingen, zijn de gebruikers van water onderling afhankelijk en moet er samengewerkt worden aan bouw en onderhoud van irrigatiekanalen. Die samenwerking kan volgens Boelens niet vervangen worden door een systeem van waterverdeling dat alleen is gebaseerd op individu, overheid of markt.
‘Je kunt dat lokale waterbeheer niet traditioneel noemen’, zegt Boelens. Het is een mix van het waterrecht zoals hun voorouders dat hadden, van religieuze invloeden en invloeden van ontwikkelingsprojecten. Maar ook van marktdenken en van nationale en internationale wetgeving. Uit al die domeinen wordt strategisch geplukt, iets wat antropologen rechtspluralisme noemen. Bovendien is de verdeling van waterrechten continu onderwerp van interne strijd, zegt Boelens. ‘Bijvoorbeeld over hoeveel rechten de bijdrage in arbeid precies oplevert. En over de vraag of de arbeid van vrouwen en mannen dezelfde rechten oplevert. Of over de kans om rechten op te bouwen. Gaat er bijvoorbeeld iets kapot, dan moet bepaald worden wie het mag maken en zo rechten kan opbouwen.’ Omdat de rechten zo zwaar bevochten zijn en geworteld in historie, en omdat water van levensbelang is, bepalen ze een belangrijk deel van de identiteit van lokale watergebruikersgroepen en families.

Gelijkgeschakeld
Overheden en bedrijven zijn niet gelukkig met die complexe en veelvormige lokale waterwereld waar ze er geen controle op hebben. Water kopen voor naburige mijnbouw is in zo’n systeem bijvoorbeeld niet mogelijk. Daarom ontkennen overheid en bedrijven het bestaan van de lokale systemen en houden ze vast aan hun eigen idee van een ‘normale’, rationele en van te voren vastgelegde waterverdeling. Sterker nog, volgens Boelens miskennen overheden, bedrijven én ngo’s de lokale bevolking. Ze erkennen niet hun recht om zelf te bepalen hoe ze zich organiseren en hun water verdelen. ‘Iedereen moet gelijkgeschakeld worden, dus ofwel water toegewezen krijgen van een ambtenaar van de overheid, ofwel een klant worden die water koopt.’
Tot voor kort kwam de onderdrukking van bovenaf, zegt Boelens. De overheid vertelde boeren wat ze moesten doen, en dwong dat zo nodig met geweld af. De laatste decennia komt de aanval op het lokale systeem van waterrechten ook uit andere hoek. Liberale, socialistische of marktgerichte ideologieën worden gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardige waterverdeling. ‘De redenatie is dat alle mensen gelijk zijn en zich dus op dezelfde rationele, moderne en vastgelegde manier moeten organiseren en het water moeten verdelen.’
Zo blijkt het streven naar normalisering opgelegd te worden door een soort januskop met twee gezichten, stelt Boelens. Lukt het de overheid of ngo’s niet om met een participatieve strategie van onderaf de boeren aan te zetten tot ‘normaal’ en ‘rationeel’ gedrag, dan komt de overheid om het, soms met geweld, af te dwingen. ‘Boeren die zich verzetten tegen onteigening van hun water voor de mijnbouw worden milieuterroristen genoemd en zwaar geïntimideerd. Er zijn wel eens mensen neergeschoten.’

Onderstroom
De normaliserende krachten zijn heel sterk, beschrijft Boelens. ‘Maar toch krijgen ze de lokale waterdorpen er niet helemaal onder.’ Want de bewoners van de Andes verzetten zich op verschillende manieren. Eén daarvan is wat Boelens de ‘schutkleurstrategie’ noemt. In Ecuador en Peru kwam hij bijvoorbeeld veel watergebruikersorganisaties tegen die formeel georganiseerd leken zoals de overheid dat graag ziet, met een voorzitter, een penningmeester en een secretaris. En naar buiten toe werd bewust gedaan alsof die organisatie via de formele procedures de rechten op water verdeelde. Maar in feite hadden de mensen heel andere functies en werden de waterrechten op eigen wijze door die organisatie bepaald en verdeeld. De formele organisatie was alleen maar een façade.
Dit soort verzet leidt tot wat Boelens ‘onderstromen’ noemt die af en toe aan de oppervlakte komen. Bijvoorbeeld toen de regering van Ecuador een poging deed om in navolging van Chili het irrigatiewater te privatiseren. ‘De dag erop waren er in het hele land wegblokkades opgeworpen. Dat kon alleen gebeuren omdat er al onderstromen van verzet aanwezig waren’, zegt Boelens.
Kunnen ontwikkelingswerkers en watermanagers het bijltje er maar beter bij neergooien? Het lijkt erop dat ze doorgaans weinig goeds doen. ‘Dat hoeft niet’, zegt Boelens. Maar de rollen moeten wel omgedraaid worden. In plaats van te proberen de boeren aan te passen aan de door experts gedroomde plannen, moeten ze de plannen aanpassen aan de boeren.
Daarvoor moeten buitenstaanders wel de politiek van waterbeheer erkennen. Zolang experts beweren dat hun visies neutraal zijn, tonen ze in feite onverschilligheid tegenover de lokale bevolking, vindt Boelens. ‘En termen als best policy, best practices of good governance zijn een teken aan de wand dat er niet geluisterd wordt naar de mensen. Ik hoorde zelfs een keer de term best indigenous knowledge. Zodra je die termen in een andere context plaatst, blijft er niets van over.’
Ook voor wetenschappers heeft Boelens nog een boodschap. Die moeten zich niet laten ringeloren door de roep om marktgericht onderzoek of onderzoek voor de overheid. ‘Het blijkt namelijk keer op keer dat de vragen die markt en overheid stellen vaak niet dezelfde zijn als die waar lokale watergebruikers mee worstelen. Bovendien, belangrijke spelers in de markt zijn er vaak niet bij gebaat om de onrechtvaardige verhoudingen waar ze zelf aan bijdragen kritisch onder de loep te nemen.’

Rutgerd Boelens promoveerde op 11 april bij prof. Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar Rurale sociologie bij Wageningen Universiteit, en prof. Hans Achterhuis, emeritus hoogleraar Filosofie bij Universiteit Twente.

Re:ageer