Organisatie - 1 februari 2007

De transitie van de onderzoeker

De afgezwakte conclusies waren geen eindconclusies

Het artikel ‘De transitie van de onderzoeker’ in Resource 18 heb ik met interesse gelezen. Het raakt aan een belangwekkende discussie binnen het toegepaste wetenschappelijke onderzoek. Mijn aanleiding om te reageren komt vooral voort uit mijn betrokkenheid bij het onderzoek naar het ‘experiment Gaasterland’, zoals ik dat in de rol van ‘onderzoeker’ in ons boekje ‘Beleid en onderzoek in actie’ (Neven, Boonstra en Kuindersma, 2004) heb beschreven. We reflecteren in dit boekje op onze nieuwe rollen als actieonderzoekers in beleidsprocessen. Hierin plaatsen we ook belangrijke nuanceringen bij het onderscheid dat jullie maken tussen echte onderzoekers en procesbegeleiders.
In het artikel wordt meermalen gerefereerd aan dit boekje. Tegen de manier waarop u dit doet, heb ik twee bezwaren. Mijn eerste bezwaar is dat het onderzoeksproces in Gaasterland op het beschreven moment (2004) nog niet af was. U gaat hier niet op in. Het verhaal over de afgezwakte conclusies die ik presenteerde in het proces klopt wel, maar u geeft niet aan dat het niet de eindconclusies waren van het onderzoek. Het ging om een interne en tussentijdse rapportage aan de klankbordgroep. De toonzetting waarmee de voorlopige bevindingen werden gepresenteerd was vaak erg belangrijk. Te scherp geformuleerde conclusies hadden het proces veel schade kunnen doen. Vanwege het proces hebben we er toen voor gekozen de conclusies wat ‘liefdevoller’ op te schrijven.
Uiteindelijk hebben we in 2006 twee onderzoeksrapporten gepresenteerd over de ecologische en procesmatige resultaten van het experiment in Gaasterland (Alterrarapport 1229, Kuindersma en Kolkman, 2005; Alterrarapport 1230, De Molenaar e.a., 2006). Deze resultaten zijn geenszins een afzwakking van de resultaten die we in het veld hebben gevonden en kunnen de wetenschappelijke toets der kritiek prima doorstaan.
Feit blijft overigens dat het in het proces nog wel enkele spanningen heeft gegeven tussen stakeholders en onderzoekers, toen bleek dat we uiteindelijk toch een aantal pijnlijke conclusies moesten trekken. De spanning tussen onderzoek en procesbegeleiding bleef gedurende het hele proces bestaan, maar op dat moment moesten we kiezen voor onze rol als onderzoekers. Het was een voorbeeld geweest van goede journalistiek als u mij in staat had gesteld deze reactie aan de ervaringen uit 2004 toe te voegen.
Mijn tweede bezwaar betreft de passage over de verborgen agenda van LNV en de manier waarop u op dat punt hebt geciteerd uit het boekje. U rept van een verborgen agenda van de opdrachtgever. Hier slaat u de plank enigszins mis. In het boekje valt te lezen dat het onderzoek naar het experiment Gaasterland wel een verborgen agenda van de opdrachtgever bevatte. Deze had niet zozeer betrekking op het realiseren van nieuwe natuur. Het betrof het weer om de tafel krijgen van de agrarische natuurvereniging en de natuurorganisaties in het gebied en de wens van de opdrachtgever om ecologische kennis in het gebiedsproces te brengen. Op dit punt gaat u later overigens wel in. Ik ben het wel met het artikel eens dat een verborgen agenda van een opdrachtgever gevaren met zich meebrengt. Achteraf hebben we ook geconstateerd dat zo’n verborgen agenda niet goed was. Het is de taak van een goede procesbegeleider (en onderzoeker) om zo transparant mogelijk te zijn over hun rol in een proces. Open en eerlijk reflecteren over het proces (inclusief de gemaakte fouten), zoals wij hebben gedaan in het beschreven boekje, is een manier om daar (achteraf) mee om te gaan.

Wiebren Kuindersma, Centrum Landschap, Alterra

Re:ageer